nl
Ive Pareyns

Associate

Contact

ive.pareyns@adlex.be

+32 89 32 23 00

Het speerpunt van de nieuwe fiscale maatregelen: de belasting op roerende inkomsten

Publicatiedatum: 11/12/13

Naar aanleiding van de recente regeringsvorming 'Di Rupo I' werden diverse ingrijpende veranderingen aan ons fiscaal systeem doorgevoerd. Teneinde de Staatskas te spijzen met extra inkomsten wordt er vooral gerekend op de nieuwe, verhoogde tarieven inzake de belasting op roerende inkomsten. Een snelle rondvraag leert ons dat de omvang van deze nieuwe maatregelen niet geheel duidelijk is. Tijd voor een korte uiteenzetting dus.

1 Het nieuwe tarief van 21%

Tot voor kort werden roerende inkomsten, zijnde de opbrengsten uit roerend vermogen, belast aan 3 verschillende tarieven: 10% (inkoop- en liquidatieboni), 15% (interesten, VVPR-dividenden,…) en 25% (dividenden,…).[1]

Ingevolge de Wet van 28 december 2011 (B.S. 30 december 2011) houdende diverse bepalingen is er vanaf 01 januari 2012 een 4de belastingtarief bijgekomen, met name dat van 21%. Dit nieuwe tarief vervangt in feite het vroegere tarief van 15% dat werd geheven op de meeste interesten en op een deel van de laagbelaste dividenden.

Concreet betekent dit dat de interesten van bv. zicht- en termijnrekeningen, obligaties, kas- en staatsbons, en dividenden betreffende VVPR-aandelen, BEVEKS, etc… getroffen worden door de nieuwe verhoogde roerende voorheffing.

Het lagere belastingtarief van 15% is voortaan een uitzonderingstarief geworden op het vlak van de belasting van interesten en geldt enkel nog voor spaarrekeningen en voor de zgn. Leterme-bons (staatsbons uitgegeven tussen 24.11.2011 en 02.12.2011).

Toch is niet alles kommer en kwel: de vrijstelling van belasting op de eerste schijf van 1.830 EUR aan interesten op spaarrekeningen blijft behouden.

2 De solidariteitsbijdrage van 4%

Niet alleen is er een nieuw, hoger belastingtarief ingevoerd voor elkeen, voor de grotere vermogens heeft de wetgever bovenop de voormelde 21% nog in een zgn. solidariteitsbijdrage van 4% voorzien.

Het komt erop neer dat er een bijkomende heffing op roerende inkomsten plaatsvindt ten laste van deze belastingplichtigen die interesten en dividenden ontvangen waarvan het totale netto-bedrag hoger is dan 20.020 EUR (inkomsten 2012 – AJ 2013). De bijkomende heffing t.b.v. 4% grijpt plaats op dat deel van de dividenden en interesten die normaal worden belast aan 21% en dat de 20.020 EUR-grens overschrijdt. In zulk geval worden interesten en laagbelaste dividenden dus belast zoals een 'normaal' dividend, d.i. aan 25%.

Er dient te worden opgemerkt:

- dat er geen bijkomende heffing van 4% is op die dividenden die reeds aan 25% belast worden, maar anderzijds…;

- …dat de dividenden waarvan eerder een roerende voorheffing van 25% werd afgehouden uiteraard in mindering moeten worden gebracht van het bedrag van 20.020 EUR. Het zijn immers dividenden.[2]

Bovendien kan nog worden meegegeven dat de bijkomende heffing geldt per belastingplichtige, zodat in een doorsnee gezin in principe tot 40.040 EUR vrijgesteld is van de solidariteitsbijdrage.

3 Controlemechanisme: gratis lening of toch maar centraal aanspreekpunt?

Uiteraard hebben de voorgaande maatregelen maar zin voor zover de overheid een vorm van controle kan inlassen. En allicht situeert zich hier de voornaamste omwenteling inzake het fiscaal stelsel van de roerende inkomsten…

Tot de dag van vandaag is het nog altijd een nationale sport van vele Belgen om hun spaargelden te verdelen over meerdere bankinstellingen teneinde zoveel mogelijk van de vrijstelling van belasting op de eerste schijf van 1.830 EUR aan interesten te kunnen genieten.

Het lijkt niet meer dan aannemelijk dat men, door via verschillende instellingen te beleggen, ook zou trachten om aan de 20.020 EUR-grens te ontsnappen teneinde geen 25% maar 'slechts' 21% af te dragen.

De wetgever wou zulke misbruiken voorkomen en heeft ingegrepen.

Voortaan geldt er dan ook een algemene aangifteplicht voor alle interesten en dividenden. Enkel voor wat betreft de aan 21% belastbare inkomsten én wanneer de bijkomende heffing van 4% reeds aan de bron – d.i. via de roerende voorheffing – werd ingehouden (zie verder) ontsnapt u hieraan. Behoudens voor dit laatste geval bestaat er dus geen bevrijdende roerende voorheffing meer.

Hoe dit praktisch zal worden opgelost is nog maar de vraag. Het lijkt er sterk op dat het invullen van het belastingaangifteformulier weer wat ingewikkelder zal worden…

Daarnaast heeft de begunstigde 2 opties voor wat betreft de ontvangen interesten en/of dividenden die aan 21% belastbaar zijn:

a. Hij opteert voor een inhouding aan de bron.

De bijkomende heffing van 4% wordt dan ingehouden door de (bank)instelling op het volledige bedrag dat de begunstigde zal ontvangen, dus ook op het vrijgestelde gedeelte van onder de 20.020 EUR. Hetgeen op die manier teveel betaald wordt, krijgt de belastingplichtige achteraf terug bij de vestiging van de aanslag in de PB. Dit komt de facto neer op een gratis lening aan de Staat, maar vermijdt wel optie b./.

b. Hij opteert niet voor een inhouding aan de bron.

De bankinstelling is dan verplicht mededeling te doen aan een centraal aanspreekpunt bij de F.O.D. Financiën van álle interesten en dividenden die zij uitkeert aan de begunstigde. Vervolgens zal dit aanspreekpunt de fiscus automatisch in kennis stellen van de identiteit van de belastingplichtige die meer dan 20.020 EUR aan interesten en dividenden heeft ontvangen. De fiscus zal op haar beurt een bijkomende heffing doorvoeren bij het vestigen van de aanslag in de PB.

Bovendien mag de fiscus ook informatie vragen aan het centraal aanspreekpunt indien de grens van 20.020 EUR niet overschreden is…

Voor diegenen die zich nu al ongemakkelijk beginnen te voelen bij de gedachte dat de fiscus kennis zou nemen van 'bepaalde financiële situaties': er wordt gewerkt aan het inlassen van wettelijke waarborgen tegen het misbruiken door de fiscus van de door haar bekomen informatie.

In voormelde uiteenzetting werd een kort overzicht gegeven van de nieuwe maatregelen op het vlak van de belasting op roerende inkomsten. Naast het invoeren van een hoger algemeen belastingtarief en een bijkomende solidariteitsbijdrage voor grotere vermogens, is het vooral de nieuwe aangifte- en meldingsplicht die een fiscale (r)evolutie heeft veroorzaakt. In de komende maanden zullen de hiervoor beschreven maatregelen verder uitgewerkt en verfijnd worden door de wetgever. Wordt ongetwijfeld vervolgd…


[1] In wat hierna wordt uiteengezet zal er overigens enkel verder worden ingegaan op de veranderingen voor wat betreft de grootste groep van roerende inkomsten, met name de interesten en de dividenden.

[2] Opgelet: ook andere roerende inkomsten tellen mee om te bepalen of het grensbedrag van 20.020 EUR bereikt is, maar hierover alleen al is een gans artikel te wijden. Raadpleeg een specialist terzake.

Rechtsdomeinen

Met cookies werkt deze website vlot en kunnen we u inhoud op maat tonen. Als u verder surft of op "Ja, ik accepteer cookies" klikt, dan aanvaardt u deze cookies. Meer informatie