nl

Bestuurders en fiscale schulden

Publicatiedatum: 13/12/16

In een poging om het aantal faillissementen terug te dringen, heeft de wetgever destijds gekozen voor het invoeren van een bestuurdersaansprakelijkheid voor het niet-betalen van fiscale (en sociale) schulden. Het een en ander kaderde oorspronkelijk in het opzet om bestuurders en zaakvoerders van vennootschappen te responsabiliseren, maar evolueerde stilaan naar een al te ruim instrument voor fiscale overheden om bestuurders aansprakelijk te stellen.

Artikel 442quater WIB (voor wat betreft de bedrijfsvoorheffing) en artikel 93undecies WBTW (voor wat betreft de btw) stellen bestuurders van vennootschappen hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van deze fiscale schulden wanneer het niet-doorstorten aan de fiscale administraties te wijten is aan een fout van deze bestuurders. Deze artikelen bieden de mogelijkheid aan de fiscale administratie om de bestuurders, samen met hun vennootschap, aan te spreken voor het volledige bedrag van de openstaande fiscale schulden.

Beide artikelen richten zich tot alle bestuurders, uitgezonderd curatoren, vereffenaars en andere gerechtelijke mandatarissen. De fiscus moet evenwel een aanspreekvolgorde in acht nemen. Zo zijn in de eerste plaats de dagelijkse of gedelegeerde bestuurders aansprakelijk. De overige bestuurders kunnen slechts worden aangesproken in tweede instantie, wanneer zij bijvoorbeeld een gebrekkig toezicht over de gedelegeerde bestuurders hebben uitgeoefend.

De hoofdelijke aansprakelijkheid voor bestuurders is geen automatisme: het niet-doorstorten van bedrijfsvoorheffing of btw moet een fout van de bestuurder vormen. Aangezien er voor een bestuurder nog steeds geen persoonlijke wettelijke verplichting tot doorstorten van deze bedragen aan de fiscus bestaat (uiteraard wel voor de vennootschap), is het louter niet-doorstorten op zich geen persoonlijke fout van de bestuurder. De omstandigheden waarin het niet-doorstorten van de fiscale schulden heeft plaatsgevonden zal bijgevolg doorslaggevend zijn. Indien de vennootschap voldoende liquide middelen heeft om de schulden te voldoen of door het niet-betalen zichzelf een onrechtmatig krediet verschaft zodat zij naar de buitenwereld een schijn van solvabiliteit creëert, zal een fout relatief eenvoudig aanvaard worden.

Indien de fiscale schulden herhaaldelijk onbetaald zijn gebleven, ontstaat er zelfs een vermoeden dat de niet-betaling het gevolg is van een fout van de bestuurder. Er is sprake van herhaling wanneer de fiscale schulden minstens tweemaal niet betaald werden binnen een tijdspanne van een jaar. In dergelijke geval gaat de wetgever er vanuit dat de bestuurder per definitie een fout heeft begaan. Het komt dan aan de bestuurder toe om het tegenbewijs te leveren, hetgeen niet steeds evident is.

In het merendeel van de gevallen zullen de fiscale schulden evenwel onbetaald blijven omdat de vennootschap gewoonweg niet over voldoende middelen beschikt. Indien de vennootschap met ernstige liquiditeitsproblemen kampt, is de kans zeer groot dat er meer dan één fiscale schuld onbetaald blijft en het hoger omschreven foutvermoeden toegepast kan worden. Wanneer de financiële problemen van de vennootschap leiden tot het opstarten van een WCO-procedure of tot de opening van een faillissement, geldt het vermoeden niet meer. Wil de fiscus zich dan toch verhalen op het persoonlijk vermogen van de bestuurder, dan moet de fiscus een fout van de bestuurder moeten aantonen.

De bestuurder die persoonlijk aangesproken wordt in betaling van deze fiscale schulden, kan deze nadien verhalen op de vennootschap. Indien de vennootschap intussen failliet is, zal het risico evenwel bij de bestuurder blijven liggen.

Besluit

De bestuurdersaansprakelijkheid voor fiscale schulden blijft een belangrijk aandachtspunt tijdens het vennootschapsleven en bij faillissement. De bestuurder die omwille van liquiditeitsproblemen de beperkte middelen van de vennootschap moet verdelen over de fiscus en haar leveranciers, doet er goed om de fiscus in de mate van het mogelijke volledig te betalen. Immers, de liquiditeitsproblemen op zich weerhouden de fiscus er niet van om de bestuurder bij niet-doorstorting persoonlijk aan te spreken. Enkel ingeval deze liquiditeitsproblemen aanleiding geven tot een WCO-procedure of een faillissement maakt de bestuurder kans om de dans te ontspringen.

Indien u samen met uw vennootschap in dergelijk scenario dreigt terecht te komen raden wij u aan om spoedig met ons kantoor contact op te nemen zodat wij preventief en in samenspraak de nodige regelingen kunnen treffen.

Meer over ondernemings- en vennootschapsrecht

Met cookies werkt deze website vlot en kunnen we u inhoud op maat tonen. Als u verder surft of op "Ja, ik accepteer cookies" klikt, dan aanvaardt u deze cookies. Meer informatie