nl

Fiscus, voorbij steken is (opnieuw) verboden! Over fiscale schulden bij faillissement na WCO

Publicatiedatum: 20/04/16
Fiscus, voorbij steken is (opnieuw) verboden! Over fiscale schulden bij faillissement na WCO

Sinds de invoering van de Wet betreffende Continuïteit van de Ondernemingen (hierna: WCO) in 2009 tracht de fiscus zichzelf voortdurend een betere positie te verschaffen dan de doorsnee schuldeiser wanneer de WCO alsnog uitmondt in een faillissement. Meer bepaald meende de fiscus steeds dat de fiscale schulden die tijdens een WCO zijn ontstaan boedelschulden vormen in een navolgend faillissement. Het Hof van Cassatie besliste daar recent anders over.

De fiscus gebruikte hiervoor artikel 37 WCO, dat schuldvorderingen, die het gevolg zijn van prestaties uitgevoerd tijdens de WCO door de medecontractant van de schuldenaar, als boedelschulden worden beschouwd in een daaropvolgend faillissement of vereffening. De wetenschap dat dit superstatuut de recuperatie van de schuldvordering aanzienlijk verhoogt, zou de schuldeiser moeten overtuigen om met een gerust gemoed een contract met de WCO-schuldenaar te sluiten of verder te zetten. Immers, een boedelschuld wordt betaald voor alle andere (bevoorrechte of gewone) schulden.

1 Btw en bedrijfsvoorheffing

De fiscus trachtte dit artikel aan te wenden voor de (para-)fiscale schulden van bedrijfsvoorheffing en btw. Immers, zo redeneerde de fiscus, bestaat er een direct verband tussen de bedrijfsvoorheffing en de btw, enerzijds, en de beschermde contractuele prestatie, anderzijds.

Voor de bedrijfsvoorheffing was dit van belang wanneer er tijdens de WCO nog arbeidsprestaties verricht werden. Een nieuwe btw-schuld ontstaat tijdens de WCO dan weer wanneer er nieuwe producten of diensten door de schuldenaar geleverd worden.

Het standpunt van de fiscus had tot gevolg dat het aantal boedelschulden (lees dus: schuldeisers met een zeer grote kans op recuperatie van hun schuldvordering) steeg, met alle gevolgen van dien voor de recuperatiemogelijkheden van de bevoorrechte schuldeisers en de gewone schuldeisers, die achteraan de rij aansluiten.

2 Fiscus, komt u maar voor

Oorspronkelijk leek het pleit ten voordele van de fiscus beslecht. Het hoogste rechtscollege van ons land oordeelde in haar arrest van 16 mei 2014 dat de bedrijfsvoorheffing wel degelijk het superstatuut van boedelschuld verdiende.

Het Hof van Cassatie kwam tot deze beslissing omdat het loon, dat immers de tegenprestatie voor arbeid vormt, niet alleen het nettoloon omvat, zoals de werknemer dit betaald krijgt, maar wel het brutoloon (voor aftrek van allerlei inhoudingen, zoals de bedrijfsvoorheffing) en dit op basis van de Wet betreffende de Bescherming van het Loon der Werknemers.

Indien het arbeid betreft die tijdens een WCO wordt geleverd, redeneert het Hof verder, dan is het volledige brutoloon, inclusief bedrijfsvoorheffing, een boedelschuld in een navolgend faillissement.

Voor de btw volgde men nadien een gelijkaardige redenering bij de verkoop van goederen of levering van diensten tijdens WCO.

De fiscus moest bijgevolg niet langer aansluiten in de rij van schuldeisers, maar zag de bedrijfsvoorheffing en btw betaald voor elke andere schuldeiser.

3 Koerswijziging

Omdat deze visie lijnrecht ingaat tegen de bedoeling van de wetgever, heeft het Hof van Cassatie recent haar koers gewijzigd.

Sedert haar arresten van 27 maart 2015 genieten de bedrijfsvoorheffing en de btw niet langer het superstatuut van boedelschuld. Beide parafiscale schulden beantwoorden immers niet aan prestaties uitgevoerd tijdens WCO door de wederpartij van de schuldenaar, waarbij de beoogde prestaties dan nog geleverd moeten worden om het succes van de WCO te vergroten.

Het Hof oordeelt dat het begrip boedelschuld voortaan enkel gereserveerd is voor de contractuele prestaties op zich. Bedrijfsvoorheffing en btw vloeien niet voort uit een overeenkomst, maar worden door de wet opgelegd.

Omdat artikel 37 WCO een uitzondering vormt op de gelijkheid tussen schuldeisers bij faillissement, mag men inderdaad niet te kwistig omspringen met de interpretatie ervan.

Besluit

Hoewel de fiscus aanvankelijk zijn slag leek thuis te halen, heeft het Hof van Cassatie op 27 maart 2015 besloten dat de fiscus de rij van schuldeisers toch niet mag voorbijsteken. De bedrijfsvoorheffing en btw zijn ook bij een faillissement na WCO schulden in de massa en dienen de rangregeling van de curator te ondergaan. Verwacht wordt dat de RSZ een zelfde lot zal ondergaan.

Meer over ondernemings- en vennootschapsrecht

Met cookies werkt deze website vlot en kunnen we u inhoud op maat tonen. Als u verder surft of op "Ja, ik accepteer cookies" klikt, dan aanvaardt u deze cookies. Meer informatie