nl

De wet Potpourri II: wijzigingen in het straf(proces)recht

Publicatiedatum: 10/02/16
De wet Potpourri II: wijzigingen in het straf(proces)recht

Op 28 januari 2016 werd de tweede zogenaamde potpourriwet gestemd in de plenaire zitting van het Parlement. De Wet Potpourri II beoogt voornamelijk het strafrecht en de strafprocedure aan te passen aan de noden van onze tijd, zodat de procedures sneller en efficiënter verlopen zonder dat de kwaliteit van de rechtsbedeling of de rechten van de verdediging in het gedrang komen. Dit artikel licht enkele belangrijke wijzigingen toe die de Wet Potpourri II met zich zal meebrengen vanaf de inwerkingtreding ervan.

1 Uitbreiding correctionalisering

De Wet Potpourri II voorziet in een vrijwel volledige uitbreiding van de “correctionaliseerbaarheid". In principe zijn alle misdaden, zelfs die strafbaar zijn met een levenslange opsluiting, correctionaliseerbaar. Aangezien de wijzigingen van de procedureregels doorgaans onmiddellijk van toepassing zijn, kan een zaak die correctionaliseerbaar wordt, gecorrectionaliseerd worden vanaf de datum van inwerkingtreding van de wet.

Die hervorming gaat gepaard met de wijziging van verscheidene bepalingen van het Strafwetboek en van bijzondere wetten, met het oog op het bepalen van het gevolg van de correctionalisering op de straftoemeting, voor de zwaarste misdaden die tot dusver niet konden worden gecorrectionaliseerd.

Een korte en niet-limitatieve opsomming van bijkomende wijzigingen:

  • De Wet Potpourri II voorziet in een nieuwe categorie van opsluiting of detentie van 30 tot 40 jaar. Bijgevolg kunnen de correctionele rechtbanken voortaan gevangenisstraffen tot veertig jaar uitspreken.
  • De regels inzake de ontzetting uit de rechten en de terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank zijn aangepast aan de veralgemeende correctionalisering.
  • Het verbod op het uitspreken van een autonome werkstraf voor een aantal ernstige feiten wordt uitgebreid tot alle misdaden die strafbaar zijn met opsluiting van 20 tot 30 jaar of meer, of met levenslange opsluiting.
  • Pogingen en deelneming tot misdaad, strafbaar met levenslange opsluiting, worden nog steeds bestraft met 20 tot 30 jaar opsluiting.
  • Ook in het geval van wettelijke herhaling mag de gevangenisstraf de maximumduur van de tijdelijke opsluiting waarin de wet voorziet voor die misdaad niet te boven gaan. Ingeval van een nieuw gecorrectionaliseerde misdaad strafbaar met levenslange opsluiting, blijft de maximumduur van de gevangenisstraf 40 jaar.
  • In het geval van samenloop van wanbedrijven (incl. gecorrectionaliseerde misdaden) mag de gevangenisstraf het maximum van de zwaarste gevangenisstraf, als die 20 jaar te boven gaat, niet te boven gaan.
  • Afstemming van de verjaringstermijn voor de zwaarste straffen op de verjaringstermijn voor de criminele straffen. Indien de uitgesproken straf twintig jaar te boven gaat, bedraagt de verjaringstermijn twintig jaar.
  • De strafvermindering bij verschoning wordt voortaan niet langer beïnvloed door de correctionalisering.

2 Beperkingen voor alternatieve straffen, uitstel en opschorting

De alternatieve straffen (elektronisch toezicht, werkstraf en autonome probatiestraf) en de opschorting van de uitspraak van de veroordeling, worden uitgesloten voor gecorrectionaliseerde misdaden waarvoor de wet een straf van minstens 20 jaar opsluiting bepaalt. De buitengewone gunst van de opschorting van de uitspraak kan immers niet worden toegekend door het hof van assisen. De ernst van de feiten die tot dusver niet correctionaliseerbaar waren, maakt het noodzakelijk om ze buiten het toepassingsgebied van deze maatregel te houden.

De gunst van het uitstel van tenuitvoerlegging wordt voortaan ook uitgesloten voor de autonome werkstraf en de autonome straf onder elektronisch toezicht evenals voor de vervangende straffen (vóór de Wet Potpourri II was dit enkel het geval voor de verbeurdverklaring en de autonome probatiestraf).

Het uitstel en de opschorting van de uitspraak zijn opmerkelijke gunstmaatregelen, daar zij impliceren dat de straf, die door het plegen van een misdrijf is gerechtvaardigd, niet ten uitvoer wordt gelegd, behoudens latere herroeping.

De Wet Potpourri II voert ook een versoepeling door en laat de feitenrechter toe een probatieuitstel toe te kennen in geval van een eerdere veroordeling tot een gevangenisstraf van ten hoogste drie jaar.

3 Elektronisch toezicht als autonome straf

De straf onder elektronisch toezicht werd reeds ingevoerd door de wet van 7 februari 2014 en zal samen met de autonome probatiestraf in werking treden op 1 mei 2016.

Een straf onder elektronisch toezicht bestaat uit de verplichting om gedurende een door de rechter bepaalde termijn aanwezig te zijn op een bepaald adres, behoudens toegestane verplaatsingen of afwezigheden, waarbij onder meer gebruik wordt gemaakt van elektronische middelen om dit te controleren, en waaraan voorwaarden worden gekoppeld.

De minimum duur van het elektronisch toezicht is 1 maand. Wanneer de straf niet wordt uitgevoerd binnen de 6 maanden door toedoen van de veroordeelde, beslist het Openbaar Ministerie of ze alsnog wordt uitgevoerd dan wel of de vervangende gevangenisstraf wordt opgelegd. Na een derde van de strafduur kan de veroordeelde schorsing van het elektronisch toezicht vragen. enkel de controle wordt geschorst, de opgelegde voorwaarden blijven tijdens de proeftijd wel gelden. De schorsing kan door het OM worden herroepen indien de voorwaarden niet worden nageleefd.

4 Ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid van meer dan 4 maanden

De Wet Potpourri II beoogt in artikel 400 van het Strafwetboek (dat voorziet in bestraffing van de opzettelijke slagen en verwondingen, die hetzij een ongeneeslijk lijkende ziekte, hetzij een blijvende ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid, hetzij het volledig verlies van het gebruik van een orgaan, hetzij een zware verminking ten gevolg hebben) en in de betrokken artikelen de notie “blijvende ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid" te vervangen door “ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid van meer dan vier maanden".

Die oplossing beoogt paal en perk te stellen aan enkele procedurele moeilijkheden. De rechter kan zich immers op korte termijn uitspreken over de strafvordering aangezien hij niet op voorhand de feiten van slagen en verwondingen moet kwalificeren al naargelang zij tot een tijdelijke of blijvende arbeidsongeschiktheid hebben geleid. Daardoor kan het slachtoffer ook snel zijn schadevergoeding krijgen.

De artikelen 399 en 400 van het Strafwetboek gaven immers aanleiding tot toepassingsproblemen, vermits de gevolgen van opzettelijke slagen of verwondingen kunnen evolueren tijdens de rechtsgang, wat een weerslag heeft op de strafmaat. De gevolgen van de feiten die bijvoorbeeld aanvankelijk bestaan in opzettelijke slagen of verwondingen die tijdelijke ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid ten gevolg hebben, kunnen evolueren naar blijvende ongeschiktheid. In de meeste gevallen doen de rechterlijke autoriteiten een beroep op een expertise ter bepaling van de kwalificatie om uit te maken of het gaat om een tijdelijke dan wel blijvende ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid bij het slachtoffer. Een expertise waartoe bevolen wordt in het stadium van het opsporingsonderzoek of het gerechtelijk onderzoek stelt de feitenrechter in staat om uitspraak te doen over een volledig dossier. Die situatie verplicht evenwel het Openbaar Ministerie te wachten op de uitspraak van een deskundige over de ongeschiktheid van het slachtoffer, vooraleer de feiten kunnen worden gekwalificeerd en kan worden gedagvaard of de vordering kan worden ingesteld voor de regeling van de rechtspleging. Nochtans is het vaak maandenlang wachten op de conclusies van de deskundige, aangezien deze zijn conclusies stelt wanneer de arbeidsongeschiktheid geen verdere evolutie meer aangeeft. Het strafonderzoek kan dus aanslepen zolang de letsels niet geconsolideerd zijn.

5 Verjaring van de strafvordering

Reeds in de Wet Potpourri I werd er gesleuteld aan de verjaringstermijnen van de strafvordering. Die hervorming wordt echter herschreven in de Wet Potpourri II en aangepast aan de veralgemeende correctionalisering. Ingeval van eenheid van opzet tussen opeenvolgende zedenmisdrijven, begint de verjaringstermijn te lopen zodra het jongste slachtoffer meerderjarig wordt (tenzij de termijn tussen twee van die opeenvolgende misdrijven de verjaringstermijn overschrijdt). Ten slotte wordt de verjaring geschorst gedurende de verzetsprocedure indien het verzet onontvankelijk of ongedaan wordt verklaard.

6 Conclusies in strafzaken

De wet Potpourri II voert dwingende termijnen in voor het indienen van conclusies en de verplichting tot voorafgaande mededeling aan de partijen in strafzaken, het Openbaar Ministerie inbegrepen. Er wordt immers voorzien dat de conclusies binnen de door de rechter bepaalde termijnen moeten neergelegd en aan de andere betrokken partijen worden gezonden, willen zij door de rechtbank of het hof in aanmerking genomen worden. De niet aan het Openbaar Ministerie door een andere partij meegedeelde conclusies dienen bovendien uit het debat geweerd te worden. Er wordt ook een verplichte mededeling voorzien van de conclusies aan de partijen. Daarnaast wordt ook een regeling ingevoerd voor het aanvragen van een nieuwe conclusietermijn bij akkoord tussen alle partijen of indien een ter zake dienend stuk of feit wordt ontdekt dat nieuwe conclusies rechtvaardigt, zoals bijvoorbeeld het verhoor van een gerechtsdeskundige dat zou kunnen leiden tot nieuwe inzichten.

Het wettelijk dwingend maken van de overeengekomen en bekrachtigde of door de rechter bepaalde termijnen voor de neerlegging en de uitwisseling van conclusies zal toelaten het verloop van het strafproces ordentelijker te laten verlopen en de zittingskalender beter te beheren.

7 Verstek en verzet in strafzaken

De Wet Potpourri II voert een nieuwe regelgeving in met betrekking tot het verzet in strafzaken met als doelstelling het “strategisch misbruik" van het verzet zo veel mogelijk in te dijken en te vermijden dat de strafzaak vier keer moet worden behandeld zonder gegronde reden.

Het verzet kan vanaf de inwerkingtreding van de Wet Potpourri II als ongedaan worden beschouwd:

  • indien de eiser in verzet, wanneer hij persoonlijk of in de persoon van een advocaat verschijnt, geen gewag maakt van overmacht of van een geldige reden ter rechtvaardiging van zijn verstek bij de bestreden rechtspleging, waarbij het erkennen van de aangevoerde overmacht of reden overgelaten wordt aan het soevereine oordeel van de rechter;
  • indien de eiser in verzet nogmaals verstek laat gaan bij zijn verzet, en dat in alle gevallen, ongeacht de redenen voor de opeenvolgende verstekken en zelfs indien het verzet reeds ontvankelijk werd verklaard.

De partij in verzet die zich een tweede keer laat vonnissen bij verstek, mag geen nieuw verzet meer aantekenen. Hoger beroep tegen de beslissing die het verzet als ongedaan beschouwt, houdt in dat de grond van de zaak aanhangig wordt gemaakt bij de rechter in hoger beroep, ook al is er geen hoger beroep ingesteld tegen het bij verstek gewezen vonnis.

Omdat deze wetswijzigingen zouden betekenen dat een partij die voor de inwerkingtreding van de wet te goeder trouw verstek laat zonder goede reden, geen behandeling in verzet meer zou krijgen, wordt er voorzien in een overgangsmaatregel: de bepalingen zijn pas van toepassing op het verstek dat een partij na 29 februari 2016 laat gaan.

8 Hoger beroep in strafzaken

De Wet Potpourri II voert een verplicht grievenstelsel in het hoger beroep in strafzaken in. Vanaf 1 maart 2016 is het verplicht dat de appellant en het Openbaar Ministerie de grieven, die tegen het in eerste aanleg gewezen vonnis, formuleren in een verzoekschrift dat tijdig moet worden neergelegd op de griffie van de rechtbank die het bestreden vonnis velde of van de rechtbank of het hof waarvoor het hoger beroep wordt gebracht, op straffe van verval. In principe moeten enkel de grieven die door de partijen worden opgeworpen, door de beroepsinstantie worden onderzocht. De beroepsrechter kunnen ook ambtshalve de grieven van openbare orde opwerpen die betrekking hebben op de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen dan wel op: (1) de bevoegdheid, (2) de verjaring van de feiten die hij in behandeling heeft en (3) het gegeven dat de feiten die bij hem wat betreft de schuldvraag aanhangig zijn gemaakt, geen misdrijf zijn of de noodzaak om deze feiten te herkwalificeren of een niet te herstellen nietigheid die het onderzoek naar deze feiten aantasten. De Orde van Vlaamse Balies is evenwel de overtuiging toegedaan dat er tijdens de terechtzitting nog steeds andere grieven dan die in het verzoekschrift kunnen worden opgeworpen.

Gelet op de invoering van de verplichting om de grieven te bepalen wordt de termijn om hoger beroep in te stellen verlengd van vijftien tot dertig dagen. Het Openbaar Ministerie krijgt tevens een bijkomende termijn van 10 dagen nadat de beklaagde of de burgerrechtelijk aansprakelijke partij hoger beroep heeft ingesteld om ook hoger beroep in te stellen (“volgappel"). Indien het hoger beroep tegen de burgerlijke partij is gericht, heeft die ook een bijkomende termijn van 10 dagen (in plaats van 5 dagen) om hoger beroep in te stellen tegen de beklaagden (of burgerrechtelijk aansprakelijke partij) die zij in de zaak willen houden.

9 Guilty plea

De Wet Potpourri II introduceert een vereenvoudigde wijze van afhandeling van strafzaken. De nieuwe procedure viseert een snelle en efficiënte afhandeling van zaken waar de feiten duidelijk zijn en de dader bekent. De procedure kan toepassing vinden in geval van voorafgaande erkenning van schuld aan de hem ten laste gelegde feiten door de verdachte of beklaagde. De regeling houdt concreet in dat het Openbaar Ministerie en de verdachte of beklaagde, na een erkenning van zijn schuld aan de hem tenlastegelegde feiten, een overeenkomst afsluiten over de bestraffing en deze vervolgens ter bekrachtiging voorleggen aan de rechtbank. De procedure impliceert dat de strafvordering wordt ingesteld, hetgeen resulteert in een straf die wordt uitgesproken door de correctionele rechtbank of de politierechtbank. Het Openbaar Ministerie kan derhalve een strafverlaging voorstellen in geval van erkenning van schuld maar de eindbeslissing ligt steeds bij het vonnisgerecht, die de tussen het Openbaar Ministerie en de dader of beklaagde afgesloten overeenkomst moet bekrachtigen.

De procureur des Konings kan de toepassing van de procedure van voorafgaande erkenning van schuld voorstellen voor feiten, die niet van aard schijnen te zijn dat ze gestraft moeten worden met een hoofdstraf van meer dan vijf jaar correctionele gevangenisstraf. Het criterium voor de toepassing van deze regeling is niet de straf zoals de wetgever ze in abstracto bepaalt, maar de straf die het Openbaar Ministerie in concreto zou vorderen indien de zaak voor de rechter zou worden gebracht, hierbij rekening houdend met het mogelijk in aanmerking nemen van verzachtende omstandigheden. De regeling kan niet worden gevolgd voor de meest ernstige misdrijven waarvoor het Openbaar Ministerie meer dan vijf jaar correctionele gevangenisstraf zou willen vorderen. Bovendien worden bepaalde categorieën misdrijven expliciet uit het toepassingsgebied uitgesloten.

De regeling kan ook worden toegepast op rechtspersonen, ten aanzien van wie het Openbaar Ministerie een straf zou vorderen equivalent aan de correctionele gevangenisstraf.

De regeling kan toepassing vinden wanneer het dossier zich op het niveau van het Openbaar Ministerie bevindt (opsporingsonderzoek) en, in geval van een gerechtelijk onderzoek, na de verwijzing naar het vonnisgerecht. Ook ingeval de onderzoeksrechter met een onderzoek is gelast kan de procedure worden gevolgd. In dat geval kan het Openbaar Ministerie de toepassing van de procedure evenwel slechts voorstellen na de beschikking of het arrest van verwijzing naar de correctionele rechtbank of de politierechtbank. De procureur des Konings kan de toepassing van de procedure ook voorstellen wanneer de zaak reeds aanhangig is bij de rechtbank of het hof, voor zover er nog geen eindvonnis of eindarrest is gewezen op strafgebied.

Het initiatief voor de toepassing van deze regeling komt toe aan het Openbaar Ministerie, hetzij op eigen initiatief, hetzij op verzoek van de verdachte of beklaagde of zijn advocaat. Het Openbaar Ministerie kan m.a.w. op verzoek van de verdachte of beklaagde of op eigen initiatief beslissen om een voorstel te formuleren in het kader van de voorliggende procedure.

De verdachte of beklaagde moet de schuld aan de hem ten laste gelegde feiten erkennen met bijstand van een advocaat. Het betreft een advocaat naar keuze of een hem toegewezen advocaat. De advocaat neemt kennis van het dossier en de aan de verdachte of beklaagde ten laste gelegde feiten en licht hem in over zijn rechten, de gevolgen van het erkennen van schuld aan die feiten in de voorliggende procedure en de gevolgen ervan. De verdachte heeft ook het recht om een vertrouwelijk overleg te hebben met zijn advocaat buiten de aanwezigheid van de procureur des Konings. De bijstand van de advocaat en de inzage van het strafdossier geeft aldus de garantie dat de verdachte of beklaagde, geïnformeerd en zonder druk, de beslissing kan nemen om het voorstel van het Openbaar Ministerie al dan niet te aanvaarden.

Na het voorstel van het Openbaar Ministerie moet de verdachte of beklaagde beslissen of hij al dan niet akkoord gaat met het voorstel. De verdachte of beklaagde beschikt over een bedenktijd van maximaal tien dagen om aan het Openbaar Ministerie mee te delen of hij de schuld aan de hem ten laste gelegde feiten erkent en de voorgestelde straffen aanvaard. Gaat hij akkoord, dan worden zijn verklaringen, waarmee de verdachte of beklaagde zijn schuld aan de hem tenlastegelegde feiten erkent, vastgelegd in een proces-verbaal, dat wordt ondertekend door de verdachte of beklaagde en zijn advocaat, evenals door de procureur des Konings. De overeenkomst stipuleert een precieze omschrijving van de feiten en hun kwalificatie en voorziet ook de goederen en de vermogensvoordelen die moeten worden afgegeven en/of verbeurdverklaard.

De rechtbank bekrachtigt de afgesloten overeenkomst en spreekt de voorgestelde straffen uit bij erkenning van schuld, indien ze van oordeel is dat aan alle voorwaarden is voldaan, dat de overeenkomst op een vrije en weloverwogen manier is gesloten en met de werkelijkheid van de feiten en met hun correcte juridische kwalificatie overeenstemt en dat de door de procureur des Konings voorgestelde straffen proportioneel zijn aan de aard van de feiten, de omstandigheden waarin deze werden gepleegd, de persoonlijkheid van de beklaagde en zijn bereidheid tot vergoeding van de eventuele schade. De rechtbank beschikt over een termijn van één maand. De rechtbank heeft twee mogelijkheden: de afgesloten overeenkomst bekrachtigen of niet, maar kan deze niet wijzigen. De rechtbank spreekt derhalve de straf uit die in de afgesloten overeenkomst is voorgesteld. Indien de rechtbank de overeenkomst niet bekrachtigt, dan wijst de rechtbank het verzoek af bij gemotiveerde beslissing. Alsdan wordt het dossier opnieuw ter beschikking gesteld van de procureur des Konings. In dat geval kan een nieuwe overeenkomst gesloten worden, rekening houdend met de redenen waarom de eerste rechter het verzoek tot bekrachtiging heeft afgewezen, of zelfs een verruimde minnelijke schikking. De zaak wordt toegewezen aan een andere kamer, waarin geen rechter kan zetelen die deel uitmaakte van de kamer die het verzoek tot bekrachtiging van de overeenkomst heeft afgewezen.

Wanneer de slachtoffers gekend zijn worden zij met alle passende middelen geïnformeerd van de plaats, dag en uur van de zitting en wordt een kopie van de ondertekende overeenkomst overgemaakt. De slachtoffers kunnen zich op de terechtzitting burgerlijke partij stellen en vergoeding van hun schade vragen. De schadevergoeding wordt beoordeeld in het kader van de procedure voor de rechtbank. Als de rechter de overeenkomst bekrachtigt spreekt hij zich uit over de ontvankelijkheid en gegrondheid van de burgerlijke partijstelling en spreekt hij in voorkomend geval een schadevergoeding uit. De gedaagden worden gehoord met betrekking tot de burgerlijke rechtsvordering. Zo nodig wordt een deskundige aangesteld of worden de burgerlijke belangen aangehouden overeenkomstig artikel 4 V.T.Sv. De bekrachtiging van de overeenkomst wordt hier niet afhankelijk gesteld van de voorafgaande vergoeding van de schade of op zijn minst van het niet-betwiste gedeelte van de schade .

Er staat geen hoger beroep open tegen het vonnis op strafgebied, evenmin als tegen het vonnis waarbij het verzoek tot bekrachtiging van de afgesloten overeenkomst wordt afgewezen. Op burgerlijk gebied staat het hoger beroep wel open.

10 Minnelijke schikking in strafzaken

De Wet Potpourri II maakt een einde aan de mogelijkheid van het Openbaar Ministerie om een minnelijke schikking te treffen nadat een eindvonnis – en geen tussenvonnis – ten gronde is gewezen wat de strafbepalingen betreft.

Minnelijke schikkingen worden bovendien ingeschreven in het strafregister. Ze worden wel niet opgenomen op uittreksels van het strafregister die aan bepaalde administratieve overheden kunnen worden meegedeeld.

11 Wijzigingen cassatie en assisenprocedure

De Wet Potpourri II schrapt het onmiddellijk cassatieberoep tegen beschikkingen van de raadkamer en de KI inzake de regeling der rechtspleging en tegen beslissingen van de KI inzake de controle op de bijzondere opsporingsmethoden. Onmiddellijk cassatieberoep blijft enkel nog mogelijk tegen beslissingen inzake de bevoegdheid, inzake het beginsel van aansprakelijkheid in het kader van een burgerlijke vordering en tegen beslissingen die een bijzonder onderzoek naar de vermogensvoordelen bevelen.

De Wet Potpourri II past daarnaast de bestaande procedure van het Hof van Assisen aan door onder meer de deelname van de beroepsrechters aan de deliberatie over de schuldvraag te voorzien. Het ontwerp voorziet derhalve erin dat de magistraten van het hof betrokken worden bij het beraad over de schuldvraag jegens de beschuldigde.

12 Voorlopige hechtenis

De Wet Potpourri II vereenvoudigt de controle op de voorlopige hechtenis. De controles zijn als volgt. Een eerste controle van het aanhoudingsbevel vindt plaats binnen de vijf dagen. Vervolgens vindt er een controle plaats binnen één maand, gevolgd door een volgende controle binnen de maand. Vanaf de derde beslissing vindt de controle slechts plaats om de twee maanden.

Vanaf de derde beslissing van de raadkamer of de KI over de voorlopige hechtenis zullen aangehouden verdachten dus voor 2 maanden in voorlopige hechtenis blijven. De verdachte heeft geen mogelijkheid om buiten deze periodieke controlemomenten een verzoekschrift tot invrijheidsstelling in te dienen bij de raadkamer.

Verder kan bij de regeling van de rechtspleging worden beslist om de hechtenis onder elektronisch toezicht te handhaven ingeval de betrokkene op dat moment in hechtenis onder elektronisch toezicht staat. Dat laat toe te vermijden dat de raadkamer op het ogenblik van de verwijzing zou beslissen om een niet aangehouden verdachte toch aan te houden en onder elektronisch toezicht te plaatsen waardoor aldus een net-widening-effect zou kunnen ontstaan dat moet worden vermeden.

Besluit

De Wet Potpourri II past in het kader van het Justitieplan dat op 24 maart 2015 aan het parlement werd voorgesteld: “In afwachting van de globale hervorming van het strafprocesrecht kunnen al wel punctuele maatregelen worden genomen waarvan kan worden aangenomen dat ze de werklast onmiddellijk positief zullen beïnvloeden en de procedure efficiënter maken, zonder te raken aan de fundamentele rechten van de partijen in de procedure." De voorgestelde maatregelen zijn in ruime mate geïnspireerd op de talrijke suggesties komende van de magistratuur, het gerechtspersoneel en rechtspractici.

Rechtsdomeinen

Met cookies werkt deze website vlot en kunnen we u inhoud op maat tonen. Als u verder surft of op "Ja, ik accepteer cookies" klikt, dan aanvaardt u deze cookies. Meer informatie