nl

Wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen: een terugblik

Publicatiedatum: 05/12/15

De wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen (hierna W. Verz.) verscheen meer dan een jaar geleden in het Belgisch Staatsblad van 30 april 2014. Zij codificeert de belangrijkste wetgeving met betrekking tot verzekeringen. De meeste bepalingen van die wet zijn in werking getreden op 1 november 2014. Die bepalingen waren, in principe, van toepassing op zowel nieuwe als lopende verzekeringsovereenkomsten. Ondertussen is de nieuwe wet een jaar van kracht. Dat verdient dan ook een terugblik. Dit artikel zal een beknopt overzicht geven over enkele belangrijke wijzigingen die de W. Verz. heeft aangebracht.

1 Doel

De W. Verz. beoogt de verdere reorganisatie van het toezicht op het verzekeringsbedrijf waarin de bevoegdheden van het FSMA centraal staan. De W. Verz. heeft de volgende viervoudige doelstelling:

  1. de verplichting tot implementatie van de (consumentgerichte) bepalingen van de Europese richtlijn Solvabiliteit II (voornamelijk gericht op de goede werking van de interne markt en de toegang van de verzekeringsondernemingen tot deze interne markt te verzekeren) in de Belgische wetgeving.
  2. het belang van de vereenvoudiging van de bestaande wetgeving inzake de bescherming van de verzekeringsverbruiker door codificatie van de relevante bepalingen in één wet;
  3. de noodzaak tot verduidelijking van de bestaande bevoegdheidsverdeling tussen de Nationale Bank en de FSMA;
  4. de wens tot uitbreiding van de bescherming van de verzekeringsverbruiker op enkele specifieke domeinen, zoals bij de algemene informatieverplichtingen, de organisatie van de winstdeling en de segmentatie waar met name de transparantie dient te worden vergroot, de voorwaarden waaronder verzekeringsuitkeringen in bepaalde gevallen mogen worden verbonden aan beleggingsfondsen, en de bevoegdheden van de toezichthouder.

De wet is er hoofdzakelijk op gericht de bestaande verzekeringswetgeving met een algemene strekking, zowel wat betreft de normatieve bepalingen, als wat betreft de bepalingen in verband met het toezicht, in het belang van verzekeringsverbruiker te verduidelijken door de verschillende bestaande wetten samen te brengen in één wet ter bescherming van de verzekeringnemer, de verzekerde, de begunstigde en de derden die belang hebben bij de uitvoering van verzekeringsovereenkomsten. Deze codificatie dient de leesbaarheid van het bestaande wettelijke kader, en hiermee samenhangend, de bescherming van de verzekeringsverbruiker, te verhogen.

2 Codificatie van een aantal wetten

De W. Verz. codificeert in grote mate de volgende bestaande wetgeving:

  1. een deel van de bepalingen uit de Controlewet;
  2. de meeste bepalingen uit de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst (hierna “WLVO");
  3. de bepalingen uit de wet van 11 juni 1874 houdende de titels X en XI, boek I van het Wetboek van Koophandel. Verzekering in het algemeen. Enige verzekeringen in het bijzonder (hierna “de wet van 11 juni 1874");
  4. de bepalingen uit de wet van 27 maart 1995 betreffende de verzekerings- en herverzekeringsbemiddeling en de distributie van verzekeringen (hierna “de wet op de verzekeringsbemiddeling").

De meeste bepalingen van de WLVO, de wet van 11 juni 1874 en de wet op de verzekeringsbemiddeling werden ongewijzigd overgenomen. Waar de tekst toch werd gewijzigd betreft dit hoofdzakelijk niet-inhoudelijke wijzigingen bedoeld om het geheel begrijpelijker en meer coherent te maken. Eén van de belangrijkste inhoudelijke wijzigingen betreft de uitbreiding van de mogelijkheden van de FSMA om herstelmaatregelen te nemen, zowel jegens de verzekeraars als jegens de (her)verzekeringstussenpersonen. De controlewet bevat echter zowel prudentiële bepalingen als bepalingen gericht op de bescherming van de verzekeringsverbruiker. Deze bepalingen konden dus niet zonder meer in hun geheel worden overgenomen in de wet. De mogelijkheden voor de FSMA om zelfstandig en rechtstreeks op te treden tegen overtredingen en om zelfstandig passende maatregelen te nemen (desgevallend met een informatieplicht jegens de Bank) werden verruimd, zowel jegens de verzekeraars als tegen de tussenpersonen.

3 Wijzigingen Controlewet

Hier volgt een kort overzicht van enkele belangrijke wijzigingen of nieuwigheden met betrekking tot deel 2 (bedrijfsvoering) en deel 3 (aanbieden en sluiten van overeenkomsten) van de W. Verz.

3.1 Overeenkomsten gesloten door niet-toegelaten verzekeraars

De verzekeringsovereenkomsten die door een niet voor de uitoefening van verzekeringsactiviteiten in België toegelaten verzekeraar gesloten zijn, blijven nietig. De verzekeraar moet de verplichtingen die hij heeft aangegaan toch nakomen indien de verzekeringnemer de overeenkomst te goeder trouw heeft gesloten. Art. 8 W. Verz. voegt daar aan toe dat de verzekeraar in dat geval gehouden is tot vergoeding van de schade veroorzaakt door de nietigheid, niettegenstaande elk andersluidend beding. De schade wordt in ieder geval op onweerlegbare wijze geacht het gevolg te zijn van het illegaal afsluiten van de overeenkomst.

3.2 Verplichte verzekeringen

Artikel 26, § 1 W. Verz. legt aan de verzekeraars die in België verplicht gestelde verzekeringen uit de groep “niet-leven" aanbieden de verplichting op dit aan de FSMA mee te delen. In de tweede paragraaf wordt voorzien dat de FSMA aan deze verzekeraars de plicht kan opleggen de algemene en de speciale voorwaarden van deze in België verplicht gestelde verzekeringen uit de groep “niet-leven" aan de FSMA mee te delen voordat er gebruik van wordt gemaakt. De verplichting om de voorwaarden over te maken geldt voor alle entiteiten die onder het toepassingsgebied van de wet vallen en die in België verplicht gestelde verzekeringen aanbieden. De mededeling is geen automatische wettelijke plicht, maar een mogelijkheid die kan worden opgelegd door de FSMA, en die niet beperkt is tot het moment van de toelatingsaanvraag. De FSMA kan opleggen dat een kopie van de algemene en speciale voorwaarden moet worden meegedeeld telkens voordat er voor de eerste keer gebruik van wordt gemaakt

3.3 Publiciteit

Artikel 28 W. Verz. bevat nieuwe regels in verband met de publiciteit. De berichten, de reclame en andere documenten die betrekking hebben op de verzekeringsovereenkomsten die een verzekeraar of een verzekeringstussenpersoon in België aanbiedt en/of commercialiseert moeten minstens voldoen aan de volgende voorwaarden :

  1. de erin vervatte informatie mag niet onjuist of misleidend zijn;
  2. de erin vervatte gegevens stemmen overeen met de andere wettelijk verplichte aan de kandidaat-verzekeringnemer over te maken informatie. Reclame moet duidelijk herkenbaar zijn als zodanig.

De verzekeraars en de tussenpersonen zijn bovendien verplicht een kopie bij te houden van de berichten, de reclame en andere documenten zolang de verjaringstermijn voor vorderingen tegen de verzekeraar, dan wel de tussenpersoon, niet verstreken is en gedurende een periode van ten minste twee jaar na het verstrijken van de laatste verzekeringsovereenkomst waarop deze berichten, reclame en andere documenten betrekking hebben. In het KB van 25 april 2015 en het reglement van het FSMA van 25 april 2015 werden regels vastgesteld aangaande de inhoud en de voorstellingswijze van de berichten, de reclame en andere op de commercialisering gerichte documenten die betrekking hebben op de verzekeringsovereenkomsten die een verzekeraar of een verzekeringstussenpersoon in België aanbiedt en/of commercialiseert.

4 WLVO

Hier volgt een kort overzicht van enkele belangrijke wijzigingen of nieuwigheden met betrekking tot deel 4 W. Verz.

4.1 Definitie verzekeraar

De term 'verzekeraar' werd stond niet opgenomen in de WLVO. In tegenstelling tot de WLVO bevat artikel 5, 1° W. Verz. wel een definitie. Gelet op het doel van de wet en het hiermee samenhangende ruime toepassingsgebied, werd ervoor geopteerd om het begrip “verzekeraar" en niet “verzekeringsonderneming" te hanteren als basisbegrip. De omschrijving van het begrip “verzekeraar" is ruim en omvat elke persoon of onderneming die als contractspartij verzekeringsovereenkomst(en) aanbiedt, ongeacht de beroepshoedanigheid van deze persoon en ongeacht of bij het afsluiten van de overeenkomst gebruik wordt gemaakt van actuariële technieken.

4.2 Medische informatie

De W. Verz. verplaatst artikel 95 WLVO naar het hoofdstuk met de bepalingen betreffende alle verzekeringsovereenkomsten. De oorspronkelijke plaats van deze bepaling had tot gevolg dat de toepassing er van beperkt werd tot de persoonsverzekeringen alleen. Deze bepaling handelt over de medische informatie en kan een ruimer toepassingsgebied vinden dan de persoonsverzekeringen alleen. Met name kan worden gedacht aan het afhandelen van lichamelijke schade in de aansprakelijkheidsverzekeringen of het sluiten van verzekeringen waarbij de gezondheidstoestand van de kandidaat-verzekerde een factor is bij het bepalen van de verzekeringsdekking zoals de reisbijstands- en annulatieverzekeringen. Ingevolge de verplaatsing van deze bepaling zal er in de toekomst geen betwisting meer bestaan dat het artikel toepassing zal vinden telkens wanneer de gezondheidstoestand een element is bij het afsluiten van een verzekeringsovereenkomst of het regelen van een schadegeval, of het nu een persoons- dan wel een schadeverzekeringsovereenkomst betreft.

4.3 Uitvoering van de overeenkomst

Er werd een nieuw artikel 68 opgenomen in de wet. Het artikel legt een specifieke regeling op die bepaalt dat alle bedragen die op grond van een verzekeringsovereenkomst aan minderjarigen dan wel onbekwaamverklaarden worden betaald, op een geblokkeerde rekening moeten worden gestort. Dit zal gelden voor zowel de persoonsverzekeringen als de schadeverzekeringen. Uiteraard kunnen deze gelden aangewend worden ten bate van de minderjarige maar dan met inachtneming van de algemene voorschriften die het beheer van een dergelijke rekening regelen. Deze toevoeging kadert in een reeks van wijzigingen die volgen op het arrest van het Europees Hof van de Rechten van de Mens van 7 juli 2009 in de zaak Stagno tegen België, in verband met de toepassing van de wettelijke verjaringstermijn in specifieke omstandigheden.

4.4 Premie

Artikel 70, lid 3 W. Verz. houdt een uitbreiding in van de verplichte vermeldingen in de ingebrekestelling waarmee kennis wordt gegeven van de schorsing van de dekking en/of de opzegging van de overeenkomst en die de verzekeraar aan de verzekeringnemer kan richten in geval van niet-betaling van de premie met als doel de rechtszekerheid te vergroten. Naast de gegevens die al verplicht vermeld moesten worden (aanmaning om de premie te betalen binnen de termijn bepaald in de ingebrekestelling, vervaldag van de premie en gevolgen van niet-betaling binnen de gestelde termijn), moet in de ingebrekestelling voortaan ook het premiebedrag worden vermeld dat de verzekeringnemer verschuldigd is, evenals alle gegevens die het mogelijk maken het precieze tijdstip te bepalen waarop de schorsing of de opzegging uitwerking hebben (namelijk de aanvang van de termijn en de vermelding dat de schorsing of de opzegging uitwerking hebben vanaf de dag volgend op de dag waarop de termijn eindigt) Onder “gevolgen van niet-betaling binnen de gestelde termijn" dient niet alleen te worden verstaan de gevolgen in termen van schorsing en opzegging maar ook het recht van de verzekeraar om eventueel nalatigheidintresten en invorderingskosten te eisen.

Voorheen bepaalde artikel 16 WLVO dat de betaling van de vervallen premies en desgevallend de interesten een einde maken aan de schorsing van dekking. Nu bepaalt artikel 71 W. Verz. dat de betaling van louter de vervallen premies volstaat om een einde te maken aan de schorsing van de dekking. Aangezien de premie pas betaald is wanneer ze in het bezit komt van de verzekeraar (dit wil zeggen, wanneer ze op de bankrekening van de verzekeraar staat) en niet wanneer de verzekeringnemer de opdracht tot betaling geeft, kan deze laatste onmogelijk het precieze bedrag berekenen van de intresten die hij eventueel verschuldigd is naast de vervallen premies en die hij geacht wordt te betalen.

Door die wijzigingen is het bij de lezing van de wet duidelijk dat de verzekeraar over drie mogelijkheden beschikt indien de verzekeringnemer de premie niet betaalt. Ofwel zegt hij de overeenkomst op zonder eerst de dekking te schorsen, indien de verzekeringnemer zijn situatie niet regulariseert binnen de termijn die vastgesteld is in de ingebrekestelling (artikel 69, eerste lid). Ofwel schorst hij de dekking en geeft hij in de ingebrekestelling meteen ook kennis van zijn voornemen om de overeenkomst op te zeggen indien de verzekeringnemer zijn situatie niet geregulariseerd heeft bij het verstrijken van de schorsingstermijn (artikel 71, derde lid). Ofwel schorst hij zonder meer zijn dekking; in dat geval kan hij de overeenkomst slechts opzeggen via een nieuwe ingebrekestelling (artikel 71, vierde lid). In de ingebrekestelling moeten in elk geval de gegevens worden vermeld die opgesomd zijn in artikel 70.

4.5 Opzeggingswijzen

Zoals voorheen kan de verzekeringsovereenkomst worden opgezegd bij een aangetekende brief, bij deurwaardersexploot of door afgifte van een opzeggingsbrief tegen ontvangstbewijs (art. 84 W. Verz.). In het geval van opzegging van de overeenkomst door afgifte van een opzeggingsbrief tegen ontvangstbewijs, heeft de opzegging pas uitwerking na het verstrijken van een termijn van tenminste een maand te rekenen van de dag volgend op de datum van het ontvangstbewijs en niet meer, zoals voorheen bepaald, de datum van het ontvangstbewijs zelf. De opzegging met aangetekende brief geldt vanaf de dag die volgt op de afgifte. De woorden “ter post" zijn daarbij weggelaten. Dat betekent dat de dag van afgifte nu bekeken kan worden als de dag van de overhandiging van de opzegging aan de bestemmeling en niet aan de post.

4.6 Opzegging na schadegeval

De verzekeraar kan zich nog steeds het recht voorbehouden de overeenkomst op te zeggen nadat een schadegeval zich voordoet. Art. 86 W. Verz. wijzigt evenwel de gevolgen van de opzegging. De opzegging wordt nu van kracht na het verstrijken van een termijn van ten minste drie maanden te rekenen van de dag volgend op de betekening, de dag volgend op de datum van het ontvangstbewijs of, in geval van een aangetekende zending, te rekenen van de dag die volgt op haar afgifte. Bovendien beschikt de verzekeraar nu ook over de mogelijkheid om de overeenkomst te allen tijde op te zeggen in het geval dat de verzekeringnemer, de verzekerde of de begunstigde één van zijn verplichtingen niet is nagekomen met de bedoeling om de verzekeraar te misleiden. De opzegging wordt in dat geval van kracht ten vroegste een maand te rekenen van de dag volgend op de betekening, de dag volgend op de datum van het ontvangstbewijs of, ingeval van een aangetekende zending, te rekenen van de dag die volgt op zijn afgifte. De voorwaarde van een klacht met burgerlijke partijstelling tegen één van deze personen of een dagvaarding voor het vonnisgerecht op basis van de artikelen 193, 196, 197, 496 of 510 tot 520 van het Strafwetboek blijft bestaan.

Door deze die wijzigingen wil de wetgever de berekeningswijze van de opzeggingstermijn voor alle gevallen op dezelfde wijze regelen en meer rechtszekerheid creëren. Meer bepaald beginnen al de bovenvermelde omstandigheden de termijn te lopen van de dag volgend op de betekening, dan wel de dag volgend op de datum van het ontvangstbewijs of de dag volgend op de afgifte ter post van een aangetekende brief.

4.7 Verhaalsrecht in de aansprakelijkheidsverzekering

Artikel 152 W. Verz. herneemt artikel 88 WLVO. De Nederlandse tekst werd aangepast aan de Franse tekst en het woord “op" werd vervangen door “of". Verder werd het verhaalsrecht beperkt tot het persoonlijk aandeel van de verzekerde in de aansprakelijkheid. Het verhaalsrecht van de verzekeraar is gesteund op een contractuele tekortkoming van de verzekerde. Het feit dat een andere persoon dan de verzekerde mede aansprakelijk is, is onafhankelijk van de wil van de verzekerde en kan hem bijgevolg niet aangerekend worden. Bijgevolg kan de last van de insolvabiliteit van een medeaansprakelijke niet op de in solidum aansprakelijke verzekerde worden gelegd. Wanneer de verzekerde samen met een derde het schadegeval heeft veroorzaakt, zijn zij elk ten opzichte van de benadeelde gehouden tot vergoeding van de hele schade (in solidum). De verzekeraar dekt dus de aansprakelijkheid van de verzekerde voor deze hele schade. Indien de verzekeraar dan over een recht van verhaal beschikt, kan hij van zijn verzekerde slechts terugbetaling vorderen van de aan de benadeelde uitbetaalde vergoeding ten belope van zijn aandeel in de aansprakelijkheid. De verzekeraar kan het andere deel nog verhalen op de medeaansprakelijke derde, maar draagt het risico van diens insolvabiliteit. De verzekeringnemer is echter niet noodzakelijk de verzekerde die het ongeval heeft veroorzaakt. Volgens de geest van de wet kan men besluiten dat ook het regres tegen de verzekeringnemer beperkt is tot het aandeel van de verzekerde in de aansprakelijkheid.

4.8 Levensverzekeringsovereenkomsten

Artikel 160, lid 1 W. Verz. wijzigt de omschrijving van het toepassingsgebied van de bepalingen met betrekking tot de levensverzekeringsovereenkomsten. Het toepassingsgebied wordt uitgebreid tot alle personenverzekeringen waarbij het zich voordoen van het verzekerde voorval alleen afhankelijk is van de menselijke levensduur, zelfs indien de partijen de wederzijdse prestaties hebben geëvalueerd zonder rekening te houden met de voorvalswetten. Ook de verzekeringen die worden geacht uitsluitend te zijn gericht op de uitkering van een vast bedrag vallen nu expliciet binnen het toepassingsgebied.

Verder werd er in de WLVO nog gesproken van “echtscheiding op grond van bepaalde feiten". De wet van 27 april 2007 betreffende de hervorming van de echtscheiding heeft evenwel de echtscheiding op grond van bepaalde feiten afgeschaft. Daarom werd in titel IV, hoofdstuk 2, afdeling VI van de W. Verz. in de titel van punt A. de echtscheiding op grond van bepaalde feiten vervangen door de echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting. De W. Verz. behoudt de vorige regeling opgenomen in de WLVO, mits enige aanpassingen gelet op het sinds de wet van 27 april 2007 gewijzigde echtscheidingsrecht. Waar voor de wijzigingen die werden doorgevoerd door de wet van 27 april 2007 enkel de echtgenoot tegen wie de echtscheiding was uitgesproken de voordelen verloor, geldt dit nu algemeen. Op grond van artikel 299 van het Burgerlijk Wetboek verliezen de beide echtgenoten na echtscheiding de voordelen die zij elkaar hebben toegekend tijdens het huwelijk. Indien men de levensverzekering kwalificeert als een voordeel dat tijdens het huwelijk door de ene echtgenoot werd toegekend aan de andere echtgenoot, zal artikel 299 BW moeten worden toegepast en niet artikel 193 W. Verz. Indien de begunstiging in de levensverzekering geen voordeel in de zin van artikel 299 van het Burgerlijk Wetboek is, zal artikel 193 W. Verz. moeten worden toegepast. Net zoals dit reeds het geval is in het vorige artikel 131 WLVO zal de uit de echt gescheiden echtgenoot die bij name als begunstigde werd aangeduid, dan begunstigde blijven. De W. Verz. voorziet uitdrukkelijk de mogelijkheid om af te wijken van dit principe. De echtgenoten kunnen in de levensverzekeringsovereenkomst of later, naar analogie van wat reeds voorzien was in de wet op de landverzekeringsovereenkomst in geval van echtscheiding met onderlinge toestemming, bepalen dat de echtgenoot na echtscheiding geen begunstigde meer zal zijn en, al dan niet bij name, een andere begunstigde aanduiden. De verzekeraar dient dan wel op de hoogte te worden gebracht van de echtscheiding, dan wel van de nieuwe aanwijzing. Hetzelfde geldt voor de echtscheiding door onderlinge toestemming (artikel 196 W. Verz.).

Besluit

De W. Verz. beoogt de leesbaarheid van het bestaande wettelijke kader en de bescherming van de verzekeringsverbruiker te verhogen. Dat betekent dat de wijzigingen die de W. Verz. met zich meebrengt toch enigszins beperkt zijn wat het verzekeringscontractenrecht betreft. Door de focus te leggen op een verduidelijking en codificatie van verschillende wetten heeft de wetgever een kans gemist om de betwistingen in de rechtspraak omtrent de toepassing van de WLVO aan te pakken. De codificatie moet dus enkele verduidelijkingen met zich meebrengen, maar inhoudelijk verandert er vrij weinig aan het verzekeringscontractenrecht. Een gemiste kans vinden wij.

Meer over verzekerings- en aansprakelijkheidsrecht

Met cookies werkt deze website vlot en kunnen we u inhoud op maat tonen. Als u verder surft of op "Ja, ik accepteer cookies" klikt, dan aanvaardt u deze cookies. Meer informatie