nl

Geschillenregeling: over gegronde redenen en décôtes

Publicatiedatum: 24/06/15

De mogelijkheid tot een gedwongen uittreding en uitsluiting in vennootschappen kent in de praktijk vele toepassingsgevallen. Omdat de wetgever de regeling van deze procedures vrij summier heeft benaderd, beschikt de voorzitter van de rechtbank van koophandel bij de beoordeling van deze geschillen over een relatief grote beoordelingsvrijheid. Dit heeft als voordeel dat de rechtbank de geschillenregeling vaak op maat van de concrete problematiek kan snijden. Hierna wordt beknopt stilgestaan bij twee voorbeelden van maatwerk: de invulling van de gegronde reden en de waarderingscorrecties van de rechter.

1 Gegronde reden betekent niet per se een fout

Indien de werking van een vennootschap ernstig verstoord wordt, of zelfs lam gelegd dreigt te worden, impliceert dat meestal het noodzakelijke vertrek van een aandeelhouder om de serene ontwikkeling van de vennootschap te waarborgen. Wanneer partijen geen akkoord kunnen bereiken over wie de aandelen overneemt of tegen welke prijs dit dient te gebeuren, is een uittredings- of uitsluitingsprocedure aan de orde.

De verstoring van de normale werking van de vennootschap moet echter niet per se veroorzaakt worden door foutief gedrag van een aandeelhouder. Klassieke voorbeelden hiervan zijn fraude, het voeren van verboden concurrentie of een eenvoudige desinteresse in het reilen en zeilen van de vennootschap.

Vooral wanneer twee aandeelhouders(-groepen) elk de helft van de aandelen bezitten is het moeilijk om aan te wijzen wiens gedrag aan de basis ligt van de onenigheid, temeer wanneer geen van beide partijen een duidelijke fout (zie hoger) heeft begaan. Een louter verschil in beleids- of toekomstvisie kan aan de basis liggen van de troebele verstandhouding.

Dergelijke foutloze patstelling verdient evenzeer een dringende oplossing in het belang van de vennootschap, haar werknemers en schuldeisers. Nochtans geeft de wetgever hierover geen richtlijn mee. Veelal zullen de beide aandeelhouders(-groepen) een wederzijdse vordering tot uitsluiting instellen. De rechtbank zal dan moeten oordelen welke van beide partijen het meeste binding en feeling heeft met de vennootschap. Deze binding kan bestaan uit een actieve betrokkenheid, de grootste financiële mogelijkheden, het meest uitgebreide commerciële netwerk.

De rechtbank zal en moet afwegen welke partij de beste waarborgen voor de toekomst van de vennootschap biedt.

Vanuit die optiek is de geschillenregeling ook een geschikt instrument in familiale ondernemingen. Indien de echtelijke of familiale problemen het functioneren van de vennootschap ernstig bemoeilijken, kan de geschillenregeling een passende oplossing bieden. Ook redenen die eerder tot de privésfeer van partijen behoren en evenmin een fout uitmaken, kunnen bijgevolg relevant zijn bij het oordeel van de rechtbank in het creëren van een oplossing op maat.

2 Waarderingscorrecties

Een rechter beschikt over drie mogelijke technieken om de concrete waarde van het over te dragen aandelenpakket op maat van de concrete situatie van de vennootschap te corrigeren.

Het is immers perfect denkbaar dat de boekhoudkundige waarde van een vennootschap relatief groot is, terwijl de marktwaarde van de vennootschap klein tot onbestaande is. Dit kan te wijten zijn aan de markt waarop de vennootschap actief is of aan de statuten ervan, die de overdraagbaarheid van de aandelen ernstig beperken, waardoor het aandelenpakket haar aantrekkelijkheid verliest. Deze verminderde aantrekkingskracht kan economisch vertaald worden in een vermindering van de prijs van het aandelenpakket ten belope van een forfaitair en redelijk percentage, de illiquiditeitsdécôte.

Een andere correctietechniek betreft de minderheidsdécôte. Dit is eveneens een forfaitaire en percentuele vermindering van het over te dragen aandelenpakket omdat het pakket slechts een minderheid van de stemrechten vertegenwoordigt. De rechter gaat er dan vanuit dat de minderheidsaandeelhouder op de vrije markt eveneens een bepaalde minderwaarde zou moeten dulden omdat het pakket in kwestie geen controle op de vennootschap verschaft. Strikt genomen is een aandelenpakket van 50% eveneens een minderheidsparticipatie. Het Hof van Beroep te Brussel heeft in een arrest van 23 februari 2015 echter geoordeeld dat er in dat geval geen minderheidsdécôte dient te worden toegepast, temeer wanneer de verwerver van het pakket de overige 50% van de aandelen reeds bezit.

Omgekeerd, ten slotte, kan de rechter een meerderheidspremie toekennen aan de overdrager wanneer het aandelenpakket door de verwerving er van een meerderheid binnen de vennootschap verkrijgt.

Besluit

De vennootschapsrechtelijke geschillenregeling kan een geschikte oplossing zijn voor een slecht tot niet functionerende vennootschap, zelfs wanneer geen van de aandeelhouders(-groepen) aan de basis ligt van de onenigheid. Ook in familiale ondernemingen biedt zij soelaas. De geschillenregeling laat de rechtbank toe om de overdracht en waardering van de aandelen op maat van het concrete geschil te snijden. Een voorbeeld hiervan zijn de waarderingscorrecties die rechter kan toepassen al naargelang het aandelenpakket een minderheids- of meerderheidsparticipatie betreft, dan wel naar gelang de aantrekkingskracht van het pakket op de vrije markt.

Meer over ondernemings- en vennootschapsrecht

Met cookies werkt deze website vlot en kunnen we u inhoud op maat tonen. Als u verder surft of op "Ja, ik accepteer cookies" klikt, dan aanvaardt u deze cookies. Meer informatie