nl

De hoogte van de schadevergoeding bij de beëindiging van een overeenkomst

Publicatiedatum: 19/05/14
De hoogte van de schadevergoeding bij de beëindiging van een overeenkomst

U werd er ongetwijfeld reeds mee geconfronteerd. In de algemene voorwaarden van diverse overeenkomsten wordt immers quasi altijd bepaald dat de afnemer van een goed of dienst gehouden is tot een schadevergoeding indien het product uiteindelijk toch niet wordt aangekocht, of indien de overeenkomst eenzijdig wordt verbroken. Nochtans zijn dergelijke bedingen niet altijd geldig. En zelfs indien het beding op zich geldig is, dan nog kan de erin bepaalde schadevergoeding te hoog zijn. Dit artikel heeft tot doelstelling zowel de verkoper-handelaar als de afnemer van het product of de dienst in een notendop te wijzen op de geldende wetgeving.

1 Verschil schadebeding / verbrekingsbeding

Alvorens de van toepassing zijnde regelgeving te overlopen is het van belang om het theoretische onderscheid te maken tussen de zogenaamde “schadebedingen" en de “verbrekingsbedingen".

Een “schadebeding" bepaalt de vergoeding die de afnemer van een goed of dienst moet betalen indien deze gebruik maakt van zijn contractueel recht om de overeenkomst eenzijdig te beëindigen.

Een “verbrekingsbeding" (ook wel “opzegbeding" genoemd) bepaalt de vergoeding die de afnemer van een goed of dienst moet betalen indien deze laatste een belangrijke verplichting uit de overeenkomst schendt. In dit geval eindigt de overeenkomst, niet door de uitoefening van een recht, maar wel door het begaan van een contractuele wanprestatie.

Deze bijdrage zal daarbij achtereenvolgens nagaan hoe een schadebeding, dan wel een verbrekingsbeding moet worden getoetst aan de geldende rechtsregels.

2 Toetsing schadebeding

In eerste instantie zal moeten worden nagekeken of het schadebeding voorkomt in een overeenkomst die door een handelaar is afgesloten met een consument, d.i. “iedere natuurlijke persoon die, uitsluitend voor niet-beroepsmatige doeleinden, op de markt gebrachte producten verwerft of gebruikt".

Is dit het geval, dan voorziet de Wet Marktpraktijken in twee strenge toetsingsnormen, met name voorziet zij (1) in een verplichting tot het voorzien van een “wederkerige bedingen" en (2) in een verplichting tot het opnemen van “gelijkwaardige bedingen".

Dat een schadebeding “wederkerig" dient te zijn, betekent dat het beding zowel een schadevergoeding moet voorzien waarop de ene contractspartij zich desgevallend kan beroepen als een schadevergoeding waarop de andere partij zich kan beroepen. Kortom, het mes moet langs twee kanten snijden, zowel in hoofde van de leverancier, als in hoofde van de klant.

Niet enkel moet een beding aldus voor beide partijen een schadevergoeding voorzien (en dus “wederkerig" zijn), de vergoedingen die voorzien worden, dienen eveneens “gelijkwaardig" te zijn. Dit houdt in dat het beding moet voorzien in schadevergoedingen die de rechten en de bewijslast van de partijen om hun schade te bewijzen in evenwicht houden. Niet gelijkwaardig is bijvoorbeeld het beding dat een veel strengere bewijslast van schade oplegt voor de ene partij dan voor de andere partij.

Heel belangrijk daarbij is dat de Wet Marktpraktijken bepaalt dat bedingen die niet voorzien in een wederkerige schadevergoeding, of in een gelijkwaardige schadevergoeding, nietig zijn en aldus voor niet-geschreven moeten worden gehouden.. Het spreekt voor zich dat dit een flinke streep door de rekening van een leverancier kan zijn …

Is er daarentegen geen sprake van een consument in de overeenkomst, dan gelden bovenvermelde strenge regels niet, maar kan een overdreven schadebeding door een rechtbank op verzoek van de belanghebbende wel nog steeds herleid worden tot de voorzienbare schade. De schadelijdende partij heeft dan alleszins minstens recht op zijn bewezen werkelijke schade.

3 Toetsing verbrekingsbeding

Het verhaal ligt helemaal anders bij de verbrekingsbedingen. De Wet Marktpraktijken, die zou kunnen voorzien in een nietigheid, regelt deze bedingen niet. Niet-wederkerige of niet-gelijkwaardige verbrekingsbedingen zullen dus geen nietigheid tot gevolg hebben. Evenmin is er op basis van overige wetgeving een grond terug te vinden om dergelijke bedingen te vernietigen of te hoge bedingen te herleiden.

Eén van de gevolgen daarvan is dan ook dat een particulier er alle belang bij zal hebben om een beding te laten kwalificeren als een schadebeding, en niet als een verbrekingsbeding. Enkel bij de eerste kwalificatie zal een nietigheid of herleiding van de schadevergoeding aan de orde zijn. Voor de handelaar die aan de andere contractzijde staat, geldt uiteraard het omgekeerde.

Men zoekt momenteel naar mogelijkheden om de toepasselijke wetgeving inzake de schadebedingen eveneens van toepassing te verklaren op de verbrekingsbedingen, maar dit is vooralsnog niet wettelijk geregeld.

Besluit

Hoe duidelijk het verschil tussen schadebedingen en verbrekingsbedingen in theorie ook lijkt te zijn, in de praktijk zijn er dikwijls heel wat interpretatieproblemen. Alleszins zal een handelaar best zijn algemene voorwaarden nog eens aan een grondig onderzoek onderwerpen alvorens hij met veel vertrouwen een vordering tot schadevergoeding zal instellen, en zal een particulier na het lezen van dit artikel (hopelijk) wat meer aandacht schenken aan de rechten die de wet hem toekent, en die een substantieel verschil in de eindafrekening kunnen betekenen.

Meer over ondernemings- en vennootschapsrecht

Met cookies werkt deze website vlot en kunnen we u inhoud op maat tonen. Als u verder surft of op "Ja, ik accepteer cookies" klikt, dan aanvaardt u deze cookies. Meer informatie