nl

​Vergoedingsregeling zwakke weggebruiker

Publicatiedatum: 11/02/14

Dit artikel zal ingaan op de meest prangende vraagstukken over die vergoedingsregeling, namelijk wie heeft recht op vergoeding? Welke zijn de voorwaarden voor de toekenning van de vergoeding? Wie is verplicht de vergoeding te betalen? Welke schade komt voor vergoeding in aanmerking?

De oorspronkelijke vergoedingsregeling voor de zwakke weggebruiker werd in het Belgisch recht ingevoerd bij de wet van 30 maart 1994 door de invoering van de artikelen 29bis en 29ter in de wet van 21 maart 1989 betreffende de verzekering van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid motorrijtuigen (hierna: WAM).

Twee decennia en enkele wetswijzigingen later, kwalificeren de hoogste rechtscolleges die vergoedingsregeling nog steeds als een wettelijke verplichting, namelijk een autonome vergoedingsplicht in hoofde van de WAM-verzekeraar (verzekeraar die de burgerlijke aansprakelijkheid van de bestuurder dekt). Die vergoedingsregeling bestaat naast de gemeenrechtelijke aansprakelijkheidsgronden uit het burgerlijk wetboek, de zogenaamde onrechtmatige daad (artikel 1382 BW en volgende). Bovendien raakt de vergoedingsregeling voor de zwakke weggebruiker de openbare orde. Concreet betekent dit dat men niet van deze autonome vergoedingsplicht kan afwijken ten nadele van de beschermde persoon.

1 Vergoedingsgerechtigde(n)

Ieder slachtoffer dat als zwakke weggebruiker schade lijdt in een verkeersongeval evenals zijn rechthebbenden zijn vergoedingsgerechtigd. Het 'slachtoffer' is de persoon bij wie de schade onmiddellijk inslaat, terwijl de 'rechthebbende' schade lijdt door weerkaatsing. De 'rechthebbende' heeft dus enkel recht op vergoeding van de schade ten gevolge van het overlijden of de lichamelijke letsels van het slachtoffer.

Een voorbeeld: wanneer persoon X als passagier lichamelijke schade lijdt bij een auto-ongeval, dan is hij het slachtoffer. Indien X werknemer is van werkgever Y, dan is Y rechthebbende indien Y het loon aan X dient door te betalen, ook al kan X geen arbeidsprestaties meer verrichten door zijn lichamelijke letsels.

Er is echter één categorie die wordt uitgesloten van die vergoedingsregeling, met name de bestuurder. Men wordt als bestuurder aangemerkt in het kader van de WAM, zolang men de macht over het voertuig uitoefent om het te doen bewegen en het een bepaalde richting uit te sturen. De bestuurder die zelf lichamelijke schade lijdt en bij uitbreiding zijn rechthebbenden, kunnen geen aanspraak maken op vergoeding op basis van artikel 29bis WAM. De bestuurder komt wel in aanmerking voor een vergoeding van de schade die hij lijdt als rechthebbende van het directe slachtoffer, tenzij hij de schade opzettelijk heeft veroorzaakt.

2 Voorwaarden voor de toekenning van de vergoeding

Voordat een slachtoffer in aanmerking komt voor een vergoeding als zwakke weggebruiker, dient hij te bewijzen dat hij schade heeft geleden bij een verkeersongeval waarbij een motorrijtuig betrokken is.

2.1 Motorrijtuig

Als 'motorrijtuig' beschouwt men ieder rijtuig of voertuig bestemd om zich over de grond te bewegen en dat door een mechanische kracht kan worden gedreven, ongeacht of het aan spoorstaven is gebonden of niet.

Het betreft hier dus een zeer ruime interpretatie van het begrip motorrijtuig. Zelfs het slachtoffer dat betrokken is in een verkeersongeval met een trein of tram komt dus in principe in aanmerking voor een vergoeding op basis van de WAM. Wat men evenwel niet beschouwt als een motorrijtuig, is een rolstoel met een eigen aandrijving. Personen die gebruik maken van een rolstoel met eigen aandrijving worden op zich als zwakke weggebruikers beschouwd.

2.2 Betrokken motorrijtuig

Daarnaast moet het motorrijtuig ook betrokken zijn. De betrokkenheid van het motorrijtuig veronderstelt een zekere relatie tussen het motorrijtuig en het ongeval. In de rechtspraak wordt die relatie evenwel ruim geïnterpreteerd. Het is zelfs niet vereist dat het ongeval wordt veroorzaakt door het voertuig, noch dat het voertuig in beweging is op het moment van het ongeval.

Die ruime interpretatie heeft tot gevolg dat de vergoedingsregeling zwakke weggebruiker van toepassing kan zijn, zelfs indien het motorrijtuig geen verkeersovertreding begaat. Het contact tussen het voertuig en het slachtoffer volstaat al om van een betrokkenheid te spreken. Zo werd bijvoorbeeld geoordeeld dat wanneer het slachtoffer is aangereden door een voertuig en hierdoor wordt weggeslingerd tegen de achterruit van een ander regelmatig geparkeerd voertuig, het geparkeerde voertuig als betrokken moet worden beschouwd.

Het contact is een voldoende, maar geen noodzakelijke voorwaarde. Zelfs al is er geen contact tussen het slachtoffer en het voertuig, kan het motorrijtuig beschouwd worden als zijnde betrokken. Bijvoorbeeld, wanneer de aanwezigheid van een bromfiets tijdens zijn inhaalbeweging een fietser belet uit te wijken, waardoor die een kruiwagen aanrijdt die deels op het fietspad staat, beschouwt men de bromfiets als een betrokken motorrijtuig.

2.3 Verkeersongeval

Opdat de vergoedingsregeling van toepassing zou zijn, moet worden aangetoond dat de schade werd geleden naar aanleiding van een verkeersongeval.

Artikel 29bis WAM geeft hierbij zelf geen omschrijving van wat wij moeten verstaan onder het begrip 'verkeersongeval', zodat de interpretatie hiervan valt onder de soevereine beoordelingsvrijheid van de rechter. De rechtspraak geeft evenwel ook aan dit begrip een ruime interpretatie.

Volgens het Hof van Cassatie is enkel vereist dat het gaat “om een ongeval dat verband hield met de deelneming aan het verkeer op de openbare weg.". Zooordeelde het Hof bijvoorbeeld dat een kind dat in de auto van haar moeder als passagier op de achterbank zat, waarbij het kind werd geraakt door een verdwaalde kogel die was afgevuurd in een vuurgevecht tussen de politie en de overvallers bij een hold - up enkele honderden meters verder, schade leed ten gevolge van een verkeersongeval.

Vóór 2001 bestond er onduidelijkheid in de doctrine over de vergoedingsplicht wanneer de bestuurder van een motorrijtuig moedwillig schade berokkende. Sedert de wetswijziging van 19 januari 2001 is de WAM – verzekeraar echter ook wettelijk verplicht om de schade te vergoeden die opzettelijk werd veroorzaakt door de bestuurder van het voertuig. Zo oordeelde de politierechter te Luik dat de passagier van een autobus die werd getroffen door een steen die van op een brug op de rijdende autobus werd geworpen, recht had op vergoeding.

2.4 Uitzondering: slachtoffer heeft het ongeval en gevolgen gewild

De casus waarbij de bestuurder opzettelijk schade heeft berokkend aan de passagier van zijn motorrijtuig moet echter duidelijk onderscheiden worden van deze waarbij het slachtoffer het ongeval en haar gevolgen heeft gewild. In dat geval en enkel indien het slachtoffer ouder was dan 14 jaar, kan hij zich niet beroepen op de bepalingen van artikel 29bis WAM. De wetgever heeft dit begrip echter eng willen interpreteren, nu in de parlementaire voorbereiding duidelijk wordt verwezen naar het feit dat “de interpretatie ervan zeer dicht aanleunt bij het begrip zelfmoord".

Aldus lijkt enkel de zogenaamde 'gewilde of vrijwillige zelfmoord' aan deze voorwaarden te voldoen. Zo oordeelde de rechtbank van eerste aanleg te Brugge recentelijk nog dat het feit dat een persoon wetens en willens uit een rijdende auto springt, niet betekent dat hij het ongeval en ook de (dodelijke) gevolgen ervan gewild heeft. Het feit dat het slachtoffer wist dat een dergelijke sprong fataal kan aflopen, betekent immers niet dat hij deze dodelijke afloop gewild heeft.

3 Vergoedingsplichtige

Artikel 29bis WAM maakt een onderscheid naargelang het motorrijtuig dat bij het verkeersongeval betrokken is, al dan niet aan spoorstaven is gebonden.

Wanneer een motorrijtuig is betrokken dat aan spoorstaven is gebonden, rust de vergoedingsplicht steeds op de eigenaar van het motorrijtuig dat aan spoorstaven is verbonden. Daarbij is het zonder belang indien dergelijke treinen of trams ingezet worden in het openbaar vervoer en eigendom zijn van bijvoorbeeld de NMBS, dan wel dat zij eigendom zijn van privé–eigenaars en bijvoorbeeld worden ingezet in een pretpark of toeristische grot.

In het (meer voorkomende) geval dat een motorrijtuig is betrokken dat niet aan spoorstaven is gebonden, rust de vergoedingsplicht daarentegen niet op de eigenaar van het motorrijtuig maar in principe op de WAM–verzekeraar. Het slachtoffer kan daarbij, naar eigen keuze, de verzekeraar van ieder betrokken motorrijtuig aanspreken aangezien zij hoofdelijk zijn gehouden tot betaling van de totaliteit van de geleden schade.

In uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld indien het motorrijtuig dat het ongeval heeft veroorzaakt niet kan worden geïdentificeerd, kan het slachtoffer eveneens het speciaal daartoe opgerichte Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds (GMWF) aanspreken.

4 Vergoedbare schade

De vergoedingsplichtige is gehouden alle schade hoofdelijk te vergoeden die is geleden door de slachtoffers en hun rechthebbenden, en die voortvloeit uit lichamelijke letsels of het overlijden. Stoffelijke schade komt in principe niet voor vergoeding in aanmerking. Sedert de wetswijziging van 19 januari 2001 bestaat op dit principe één wettelijke uitzondering, namelijk de kledijschade.

Het begrip 'schade die voortvloeit uit lichamelijke letsels of het overlijden' wordt ruim geïnterpreteerd en omvat onder meer de medische kosten, het loonverlies bij arbeidsongeschiktheid, de schade die voortvloeit uit de tijdelijke of definitieve (al dan niet gehele) arbeidsongeschiktheid en waaraan een materieel gevolg verbonden is, de rechtstreekse schade die door het slachtoffer zelf wordt geleden, maar eveneens de onrechtstreekse schade of schade door weerkaatsing doordat bijvoorbeeld een kind overlijdt.

Ten slotte wordt eveneens de schade aan functionele prothesen vergoed, dat wil zeggen de door het slachtoffer gebruikte middelen om lichamelijke gebreken te compenseren. Het gaat bijvoorbeeld om een kunstbeen, een gebroken tand, een bril, een hoorapparaat, een geleide hond etc.

Besluit

De Belgische zwakke weggebruiker kan zich beroepen op een uitgebreide regeling voor de vergoeding van verkeersongevallen. Vooreerst is er het gemeen aansprakelijkheidsregime (art. 1382 e.v. BW) dat van toepassing is op alle verkeersongevallen, ongeacht of een motorrijtuig het ongeval veroorzaakte of erbij betrokken is.
Daarnaast bestaat er sedert 1994 een tweede, autonoom regime voor vergoeding van verkeersongevallen dat uitsluitend van toepassing is indien een motorrijtuig bij het verkeersongeval betrokken is.

Artikel 29bis WAM is sedert haar invoering enkele malen gewijzigd en zelden heeft één wetsartikel aanleiding gegeven tot een dergelijke uitvoerige casuïstiek en rechtsleer.
Thans bestaat er eensgezindheid en eenduidige rechtspraak over de meeste aspecten van dit vergoedingsregime. In de huidige stand van de rechtspraak en de rechtsleer wordt alle schade, met uitzondering van de schade van de bestuurder en de stoffelijke schade, die wordt geleden door de slachtoffers en hun rechthebbenden bij een verkeersongeval waarbij een of meer motorrijtuigen betrokken zijn, en dat voortvloeit uit lichamelijke letsels of het overlijden, met inbegrip van de kledijschade, hoofdelijk vergoed door de WAM–verzekeraar van de eigenaar, bestuurder of houder van het motorrijtuig.

Meer over verzekerings- en aansprakelijkheidsrecht

Met cookies werkt deze website vlot en kunnen we u inhoud op maat tonen. Als u verder surft of op "Ja, ik accepteer cookies" klikt, dan aanvaardt u deze cookies. Meer informatie