nl

Het nieuwe ondernemingsrecht is een feit: alle ondernemers gelijk voor de wet

Publicatiedatum: 14/11/18

Het wetboek van koophandel maakte een onderscheid tussen handelaars (“kooplieden”) en niet-handelaars. Dit onderscheid bepaalde de bevoegdheid van de rechtbank, het toepasselijke bewijsrecht en het toepassingsgebied van de faillissementswet. Het parlement keurde intussen de wet houdende de hervorming van het ondernemingsrecht goed, waarmee een centraal ondernemingsbegrip werd ingevoerd. Bovendien  werd de rechtbank van koophandel omgedoopt tot de ondernemingsrechtbank. Deze wet is in werking getreden op 1 november 2018. 

1 Het nieuwe ondernemingsbegrip 

Een onderneming is voortaan (i) elke natuurlijke persoon die op zelfstandige basis een beroepsactiviteit uitoefent, (ii) elke rechtspersoon en (iii) elke organisatie zonder rechtspersoonlijkheid.  

Er wordt derhalve niet langer gekeken naar de aard van de handelingen (burgerlijk of handelskarakter) die gesteld worden, maar wel naar het statuut of de rechtsvorm van de persoon die ze stelt. Concreet houdt dit in dat ook een bestuurder van een rechtspersoon voortaan een onderneming is omdat hij/zij op zelfstandige basis een beroepsactiviteit uitoefent. Daarnaast zal ook een vzw een onderneming zijn louter en alleen omdat zij een rechtspersoon is. 

De laatste categorie verwijst in het bijzonder naar de maatschap die geen rechtspersoonlijkheid heeft. De wetgever heeft er echter voor geopteerd om een ruimer begrip in de wet te schrijven, zodat ook buitenlandse organisaties onder de toepassing van het Belgisch ondernemingsrecht zouden vallen. Denk zo maar aan de trust

De organisatie zonder rechtspersoonlijkheid die evenwel geen uitkeringsoogmerk heeft en in feite geen uitkeringen verricht aan haar leden valt buiten het toepassingsgebied van het ondernemingsbegrip. De lokale fanfare, in de mate dat zij de vorm aanneemt van een feitelijke vereniging, is bijvoorbeeld  geen onderneming. 

2 Gevolgen in de praktijk

2.1 Ondernemingsrechtbank 

De uniformisering van het ondernemingsbegrip heeft tot gevolg dat voortaan alle ondernemingen hun geschillen aanhangig dienen te maken voor de ondernemingsrechtbank.  Dit is een positieve evolutie, temeer daar de ondernemingsrechtbank als gespecialiseerde rechtbank dé rechtbank bij uitstek is om geschillen tussen ondernemingen te beslechten.

Voorheen moesten rechtspersonen of ondernemingen met een burgerlijk doel, waaronder de vrije beroepers, de landbouwvennootschap en de vzw’s en stichtingen, hun geschillen inleiden bij de rechtbank van eerste aanleg. 

De rechtbank van eerste aanleg is echter de rechtbank voor particulieren en consumenten. Het onderwerpen van geschillen van burgerlijke rechtspersonen en/of ondernemingen aan de rechtbank van eerste aanleg zorgde voor een niet te verantwoorden onderscheid met de commerciële rechtspersonen en/of ondernemingen. Immers is er geen enkele reden om burgerlijke ondernemingen aan een andere rechtbank te onderwerpen dan commerciële ondernemingen. 

2.2 Vrij bewijsrecht

Kooplieden konden steeds gebruik maken van een vrij bewijsrecht. Dit hield in dat zij hun vorderingen steeds konden aantonen met alle middelen van het recht, inclusief getuigen en vermoedens. De burgerlijke rechtspersonen en/of ondernemingen daarentegen waren gebonden door een strikt gereglementeerd bewijsrecht. Zo dienen zij elke vordering boven € 375,00 te bewijzen door middel van een geschrift en zijn getuigen en vermoedens uitgesloten. 

Door de gelijkschakeling van kooplieden met de burgerlijke rechtspersonen en/of ondernemingen zullen alle ondernemingen voortaan het vrije bewijsrecht kunnen toepassen, hetgeen een aanzienlijke verbetering is voor de burgerlijke ondernemingen en kadert in de flexibiliteit van het ondernemingsleven. 

2.3 Faillissement 

Tot slotte is op 1 mei 2018 het nieuwe faillissementsrecht in werking getreden. Hierbij opteerde de wetgever eveneens om het ondernemingsbegrip in te voeren en derhalve het faillissement niet langer exclusief voor te behouden voor kooplieden. 

Besluit

Op 1 november 2018 is het nieuwe ondernemingsrecht van kracht gegaan. Hierbij werd het onderscheid tussen burgerlijke en handelsdaden verlaten en werd afstand gedaan van het begrip “kooplieden”. Voortaan zal het ondernemingsbegrip een centrale positie in het ondernemingsrecht in de meest ruime zin van het woord innemen. Teneinde de hervorming volledig sluitend te maken, werd de rechtbank van koophandel omgedoopt tot de ondernemingsrechtbank. 

Deze hervorming is een belangrijke stap voorwaarts naar de verdere professionalisering van het handelsverkeer en laat de rechtzoekenden toe om hun geschillen voor te leggen aan een gespecialiseerde rechtbank, die met kennis van zaken uw geschillen zal kunnen beslechten. 

Wij bespreken graag met u de praktische gevolgen die deze wetswijziging op uw concrete situatie zal hebben. 

Met cookies werkt deze website vlot en kunnen we u inhoud op maat tonen. Als u verder surft of op "Ja, ik accepteer cookies" klikt, dan aanvaardt u deze cookies. Meer informatie