nl

De Wet van 18 juni 2018 houdende bepalingen met het oog op de bevordering van alternatieve vormen van geschillenoplossing

Publicatiedatum: 02/09/18

Met de Wet van 18 juni 2018 heeft de wetgever diverse bepalingen in het Gerechtelijke Wetboek gewijzigd en ingevoerd om uitvoering te geven aan haar belofte om meer in te zetten op het stimuleren van alternatieve vormen van geschillenbeslechting, waaronder de bemiddeling. Het doel van het bevorderen van alternatieve geschillenbeslechtingsmethodes ligt vanzelfsprekend in het ontlasten van de rechtbanken om op die manier de gerechtelijke achterstand op termijn weg te werken. In deze bijdragen zullen de nieuwigheden inzake de bemiddeling zoals ingevoerd bij de Wet van 18 juni 2018 kort worden opgelijst.

1                 Verruiming van het toepassingsgebied

De nieuwe artikelen in het Gerechtelijk Wetboek verruimen in eerste instantie het toepassingsgebied van de bemiddeling. Bemiddeling is voortaan mogelijk voor alle grensoverschrijdende geschillen van vermogensrechtelijke aard, ongeacht of er een publiekrechtelijke rechtspersoon bij betrokken is. Verder komen ook niet-vermogensrechtelijke geschillen die vatbaar zijn voor dading en een aantal bij wet bepaalde familiale geschillen, in aanmerking voor bemiddeling.

2                 Wettelijke verplichting voor juridische beroepen

Met de Wet van 18 juni 2018 wordt er een juridische verplichting ingevoerd voor de juridische beroepen om de partijen in een geschil steeds te informeren over de mogelijkheden om tot een minnelijke oplossing van hun geschil te komen enerzijds en om een dergelijke minnelijke oplossing, in de mate van het mogelijke, te stimuleren anderzijds. Voor advocaten is de verplichting ingevoerd met artikel 440 Ger. W., voor gerechtsdeurwaarder met artikel 519 Ger. W. en voor magistraten is ze terug te vinden in de artikelen 730 en 731 Ger. W.

3                 Nieuwe mogelijkheden voor de rechter

De Wet van 18 juni 2018 voorziet verder in een aantal nieuwe mogelijkheden voor de rechter:

  • de rechter krijgt de mogelijkheid om de partijen op de inleidende zitting te ondervragen over de pogingen die zij hebben ondernomen om hun geschil minnelijk op te lossen alvorens de zaak aanhangig te maken bij de rechtbank. De rechter kan partijen vragen persoonlijk op de zitting te verschijnen met het oog hierop;
  • indien de rechter, na ondervraging van de partijen, vaststelt dat een verzoening mogelijk is,  kan hij de zaak tot maximaal één maand uitstellen om partijen de kans te geven het geschil alsnog op minnelijke wijze te regelen;
  • tot slot krijgt de rechter zelfs de mogelijkheid om, ambtshalve dan wel op verzoek van één van de partijen, een bemiddeling op te leggen. Enkel indien alle partijen een bemiddeling weigeren zal de rechter de bemiddeling niet kunnen verplichten;

4                 Bescherming van het beroep en de titel ‘erkende bemiddelaar’

De wetgever tracht te waken over de kwaliteit van de bemiddelaar door een bescherming van de uitoefening van het beroep en de titel ‘erkend bemiddelaar’ in te voeren. De wetgever doet dit door de deontologie en tuchtprocedure voor de bemiddelaar te verscherpen en het oneigenlijk gebruik van de titel erkend bemiddelaar strafrechtelijk te sanctioneren.

5                 Vrijwillige bemiddeling wordt buitengerechtelijke bemiddeling

Het begrip ‘vrijwillige’ bemiddeling, dat in de oude wet nogal verwarrend (elke bemiddeling is namelijk vrijwillig) werd gehanteerd voor de bemiddeling op initiatief van de partijen zonder dat er reeds een gerechtelijke procedure aanhangig was, wordt door de Wet van 18 juni 2018 vervangen door het begrip ‘buitengerechtelijke bemiddeling’.

6                 Modernisering van de Federale Bemiddelingscommissie

Tot slot heeft de Wet van 18 juni 2018 de structuur van de Federale Bemiddelingscommissie gemoderniseerd en haar rol versterkt. De Federale Bemiddelingscommissie moet hierdoor in staat zijn  bemiddeling beter te promoten, op te volgen en verder te ontwikkelen op nationaal niveau.

Besluit

Een initiatief van de wetgever om alternatieve geschillenoplossing en in het bijzonder bemiddeling  te stimuleren kan uiteraard enkel maar worden aangemoedigd. Het komt ons voor dat een groot deel van de wijzigingen ook hun effect zullen hebben en er toe zullen bijdragen de bemiddeling te bevorderen. Het dient echter wel gezegd dat de wetgever ook een aantal opmerkelijke keuzes heeft gemaakt, waaronder in het bijzonder het invoeren van de mogelijkheid voor de rechter om een bemiddeling op te leggen aan de partijen. Of dit in de praktijk het gewenste resultaat zal hebben is nog maar de vraag, aangezien de geest van de bemiddeling gebaseerd is op het principe van vrijwilligheid en bereidwilligheid van de partijen. Een kleine kritische noot is wat dat betreft dan ook op zijn plaats.

Met cookies werkt deze website vlot en kunnen we u inhoud op maat tonen. Als u verder surft of op "Ja, ik accepteer cookies" klikt, dan aanvaardt u deze cookies. Meer informatie