nl

De geboorte van het nieuwe vennootschapsrecht

Publicatiedatum: 17/05/18

Het huidige vennootschapsrecht dateert van de 19e eeuw. De laatste grote wijziging betrof de invoering van het Wetboek van Vennootschappen op 7 mei 1999.  Een nieuwe vennootschapswet drong zich op indien men de competitiviteit van het Belgisch vennootschapsrecht wil bewaren en versterken. De wetgever heeft dit begrepen: op 20 juli 2017 keurde de ministerraad het voorontwerp van wet tot invoering van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen (hierna: “WVV”) goed. Dit voorontwerp doorloopt momenteel het gebruikelijke parlementaire parcours en zal waarschijnlijk in de loop van dit jaar tot wet gestemd worden. De kans dat de tekst van het voorontwerp gewijzigd wordt is dan ook eerder klein. Graag delen wij dan ook met u alvast de meest belangrijke nieuwigheden.

1                 Vooraf: het nieuwe ondernemingsbegrip

Klassiek bestaat er een onderscheid tussen handelsdaden en burgerlijke daden. Dit onderscheid was van belang voor onder andere de bevoegdheid van de rechtbank van koophandel en het toepasselijke bewijsregime. In de moderne economische samenleving is dit onderscheid voorbij gestreefd.

 Het begrip “onderneming” is voortaan de referentie geworden en krijgt een nieuwe, en vooral ruimere invulling. De eerste stap hierin is gezet door de inwerkingtreding van het nieuwe insolventierecht (Boek XX WER) op 1 mei 2018, waardoor voortaan ook vrije beroepers, landbouwers, VZW’s en stichtingen failliet verklaard kunnen worden. 

Het WVV gaat verder op het ingeslagen pad en neemt definitief afscheid van het klassieke onderscheid. Het WVV maakt geen verschil tussen een handelsvennootschap en een burgerlijke vennootschap. 

2                 Een oprichter is voldoende 

De nieuwe definitie van een vennootschap in het WVV bepaalt dat een vennootschap “[…]  wordt opgericht […] door een of meer personen, vennoten genaamd […]”.

Onder gelding van het WVV zullen alle vennootschapsvormen opgericht kunnen worden door één persoon, die zowel een natuurlijke als een rechtspersoon (andere vennootschap of vereniging) kan zijn. In de huidige vennootschapswet vereist de oprichting van een vennootschap minstens twee personen, met als enige uitzondering de EBVBA. 

Het WVV keert het principe bijgevolg om: eenhoofdigheid wordt de nieuwe basisregel. Enkel voor een maatschap en een coöperatieve vennootschap zullen nog meerdere oprichters nodig zijn. 

3                 Winstuitkeringsoogmerk als onderscheidingscriterium

 Een vereniging mag momenteel nog steeds niet (hoofdzakelijk) winst nastreven. Dit is het verschil met een vennootschap, die net opgericht werd om winst te maken. 

Het WVV verlaat dit onderscheidscriterium. Niet het nastreven van winst, maar wel de vraag of deze winst uitgekeerd wordt aan de vennoten of leden bepaalt de aard van de rechtspersoon. De aard van de activiteiten is bijgevolg niet langer belangrijk (zie ook hoger).

Een vereniging zal onbeperkt winst mogen maken, maar mag deze winst niet uitkeren aan haar leden, oprichters of bestuurders.

Vennootschappen daarentegen, hebben tot doel de gerealiseerde winst uit te keren aan haar vennoten. 

4                 Corporate mobility

 Het WVV verwijdert de huidige obstakels die verhinderen dat een Belgische vennootschap naar het buitenland verhuist. Op heden is hiervoor steeds een ontbinding van de bestaande vennootschap en de oprichting van een nieuwe buitenlandse vennootschap vereist.

Op basis van een vrij eenvoudige procedure met gebruik van een notaris zal een Belgische vennootschap naar het buitenland kunnen emigreren. Het vrij verkeer van vennootschappen wordt dan ook een feit. 

5                 Beperking van het aantal vennootschapsvormen

Het huidige Belgisch vennootschapsrecht is nodeloos complex. Dit komt tot uiting in het aantal vennootschapsvormen dat het Belgisch vennootschapsrecht kent.

Het WVV wil de achttien bestaande vennootschapsvormen terug brengen tot vier basisvormen, namelijk de maatschap (met als varianten de VOF, en de Comm. V.), de naamloze vennootschap (NV), de besloten vennootschap (BV) en  ten slotte de  coöperatieve vennootschap (CV). De overige vennootschapsvormen, zoals de SBVBA en de EBVBA, worden afgeschaft.

De nieuwe basisvormen kunnen zo flexibel worden ingericht dat zij, indien gewenst, zo goed mogelijk de huidige  vennootschapsvormen benaderen. 

5.1            De NV

 In het WVV wordt de NV voorbehouden voor de grote ondernemingen of beursgenoteerde ondernemingen.

Een onderneming moet minstens twee grenzen  overschrijden om als grote onderneming beschouwd te worden: een gemiddeld personeelsbestand van 250 werknemers hebben, een balanstotaal van 43 miljoen euro hebben en/of een netto jaaromzet van 50 miljoen euro genereren. Voldoet een onderneming hieraan niet, kan zij niet de vorm aannemen van een NV.

Deze criteria zullen tot gevolg hebben dat veel huidige NV’s genoodzaakt zijn een andere rechtsvorm aan te nemen.

De afschaffing van de pluraliteitsvereiste van oprichters  zorgt weliswaar voor een verregaande flexibilisering. Een NV zal opgericht kunnen worden door één vennoot  en zal slechts één bestuurder kunnen  hebben. De verplichte collegialiteit die een huidige NV binnen het bestuur kent, wordt verlaten. Ten slotte  wordt de regel van de verplichte herroepbaarheid ad nutum gewijzigd waardoor ontslagbescherming binnen de NV een mogelijkheid wordt. Bestuurders zullen, indien de statuten afwijken van het ad nutum-principe, enkel ontslagen kunnen worden mits een opzegvergoeding of –termijn. 

5.2            BVBA

 De aankomende wijziging in het vennootschapsrecht zal vooral consequenties hebben voor de besloten vennootschap.

Niet alleen wordt de huidige BVBA herdoopt tot BV, maar ook de kapitaalbescherming die de BVBA kent zal in de BV een heel andere invulling krijgen. Het WVV verlaat het pad van een wettelijk minimumkapitaal en kiest voor de verplichting om bij oprichting een toereikend aanvangsvermogen te voorzien. De omvang van dit toereikend aanvangsvermogen is afhankelijk van de voorgenomen activiteiten en zal omstandig toegelicht moeten worden in het financieel plan.

Dit  financieel plan zal een belangrijkere rol krijgen en moet voldoen aan een wettelijke minimuminhoud.

Aangezien de garantie van het minimumkapitaal als  schuldeisersbescherming verdwijnt, voorziet het WVV andere formules om schuldeisers te beschermen, zoals een verhoogde bestuurdersaansprakelijkheid.

Een andere beschermingsmaatregel zal erin bestaan dat uitkeringen uit de vennootschap onderworpen zullen worden aan een dubbele uitkeringstest. De algemene vergadering zal in de eerste plaats een balanstest moeten uitvoeren waarbij wordt nagegaan of een uitkering er niet voor zorgt dat het netto-actief van de vennootschap negatief wordt. Daarna zal een liquiditeitstest worden uitgevoerd door de raad van bestuur met als doel  na te gaan of de vennootschap door de uitkering in de toekomst nog in de mogelijkheid is om haar opeisbare schulden te voldoen in de komende twaalf maanden Enkel wanneer de uitkomst van beide testen positief is, kan de vennootschap een uitkering aan haar vennoten doen.

Door het afschaffen van de kapitaalvereiste worden de rechten en de plichten van de aandeelhouders niet meer automatisch vastgeknoopt aan het ingebrachte kapitaal, maar kunnen deze conventioneel bepaald en gemoduleerd worden. In lijn met het voorgaande wordt het mogelijk om aandelen vrij over te dragen en wordt het  in een BV mogelijk om converteerbare obligaties alsook warrants uit te geven. Door deze mogelijkheid kan de BV worden gevormd van een zeer besloten vennootschap tot een beursgenoteerde vennootschap.

Het verdwijnen van de kapitaalvereiste heeft verder tot gevolg dat geen kapitaalverhogingen en/of -verminderingen meer mogelijk zijn. Indien een vennoot wil uittreden zal dit via de procedure uittreding ten laste van het vermogen moeten gebeuren, hetgeen pas mogelijk is na het derde boekjaar sinds de oprichting van de vennootschap en enkel indien de statuten in deze procedure voorzien.

Het verlaten van de kapitaalsvereiste heeft ten slotte ook gevolgen voor de bestaande alarmbelprocedure aangezien er geen maatschappelijk kapitaal meer bestaat  waartegen het netto-actief kan worden afgewogen. De voorwaarden om de alarmbelprocedure te starten zullen een andere invulling krijgen. Het bestuur zal onder gelding van het WVV de algemene vergadering moeten bijeenroepen wanneer het onzeker is of de schulden over een periode van twaalf maanden kunnen worden voldaan. 

In het algemeen zullen de regels van de BV veelal van aanvullend recht zijn zodat  de vennoten een grote flexibiliteit genieten  om een BV op maat te creëren.

5.3            CV

De CVBA wordt nu vaak gebruikt voor vrije beroepers die zich wensen te associëren. In  de toekomst zullen de zogenaamde “valse” coöperatieve vennootschappen genoodzaakt worden om een andere vennootschapsvorm aan te nemen. De nakende CV zal enkel nog gebruikt kunnen worden voor de echte coöperatieven, waarbij de vennoot tevens klant of leverancier is.

Het coöperatief gedachtegoed blijft het uitgangspunt waardoor de CV zijn verplichte meerhoofdigheid behoudt. De vennootschap dient een welomschreven doel te hebben, indien ze dit niet heeft kan de CV ontbonden worden, zelfs op vraag van concurrenten. 

Besluit

Het vennootschapsrecht zal een ingrijpende modernisering ondergaan met een doorgedreven vereenvoudiging door o.a. de beperking van het aantal vennootschapsvormen. Het uniform ondernemingsbegrip zal meer aansluiten bij de economische realiteit van heden met aandacht voor de rechten van schuldeisers. Als vennoot van een vennootschap zal u meer dan ooit aandacht moeten hebben voor de statuten waarbij maatwerk de norm wordt.

Het parlement dient zich evenwel nog te buigen over het wetsontwerp, wordt vervolgd.
 


Meer over ondernemings- en vennootschapsrecht

Met cookies werkt deze website vlot en kunnen we u inhoud op maat tonen. Als u verder surft of op "Ja, ik accepteer cookies" klikt, dan aanvaardt u deze cookies. Meer informatie