nl

Hoorplicht voor de openbare werkgever alvorens over te gaan tot ontslag van een contractuele werknemer

Publicatiedatum: 20/11/17

1 Nieuwigheden

In een recent arrest van 6 juli 2017 stel het Grondwettelijk Hof dat de artikelen 32, 3°, en 37, § 1 van de wet op de arbeidsovereenkomsten het gelijkheidsbeginsel schenden indien zij een beletsel vormen voor het uitvoeren van het beginsel van de hoorplicht. Er is geen schending wanneer deze artikelen de uitvoering van het beginsel van de hoorplicht niet in de weg staan. Dit wil zeggen dat de openbare overheid, als werkgever, het beginsel van behoorlijk bestuur – en dus de hoorplicht – schendt wanneer een contractuele medewerker niet wordt gehoord alvorens over te gaan tot een eenzijdig ontslag door de werkgever met uitbetaling van de wettelijke opzeggingsvergoeding.


2 Feiten van het bodemgeschil

Een vrouwelijke werknemer die als contractueel “teamverantwoordelijke schoonmaak” was tewerkgesteld bij de gemeente Evere werd als gevolg van negatieve evaluaties met betrekking tot haar leidinggevende capaciteiten ontslagen met een opzeggingsvergoeding. Voorafgaand aan dit ontslag (de betrokken werkneemster was op het ogenblik van het ontslag arbeidsongeschikt) werd zij niet gehoord conform het beginsel van behoorlijk bestuur audi alteram partem (de plicht om de betrokkene te horen vooraleer een ernstige maatregel te nemen).


3 Beslissing Grondwettelijk Hof

Het Grondwettelijk Hof ging in het arrest van 6 juli 2017 uit van de overweging “Dat beginsel is aan de overheid opgelegd wegens haar bijzondere aard, namelijk dat zij noodzakelijkerwijs als behoedster van het algemeen belang handelt en dat zij met volle kennis van zaken moet beslissen wanneer zij een ernstige maatregel neemt die verband houdt met het gedrag of de persoon” van een werknemer. 

Volgens het Grondwettelijk Hof houdt de hoorplicht (als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur) in “dat het personeelslid dat wegens een negatieve beoordeling van zijn gedrag een ernstige maatregel dreigt te ondergaan, daarvan vooraf op de hoogte wordt gebracht en zijn opmerkingen dienstig kan doen gelden”.

Er bestaat volgens het Grondwettelijk Hof geen redenen om in die omstandigheden een onderscheid te maken tussen contractuele en statutaire werknemers. Het Grondwettelijk Hof staat met die beoordeling lijnrecht tegenover het Hof van Cassatie.


4 Contradictie rechtspraak Hof van Cassatie

De beginselen van behoorlijk bestuur zijn volgens recente rechtspraak van het Hof van Cassatie enkel van toepassing ten opzichte van statutair benoemde ambtenaren. De arbeidsrelatie van de contractuele werknemers in dienst bij de Overheid worden daarentegen geregeld door de wet op de arbeidsovereenkomsten van 1978 die geen bepalingen bevat over een voorafgaandelijke hoorplicht bij ontslag.

In het arrest van 12 oktober 2015 had het Hof van Cassatie (Cass. 12.10.2015, S.13.0026.N, Stad Oostende / P. V., inforum nr. 295749) immers geoordeeld dat de regeling inzake de beëindiging van arbeidsovereenkomsten een werkgever niet verplicht om een werknemer te horen alvorens over te gaan tot ontslag en dat dit bijgevolg ook geen verplichting was ten aanzien van contractuele werknemers in overheidsdienst. Volgens het Hof van Cassatie had de gemeente in deze specifieke casus geen fout gemaakt door de contractuele werknemer niet te horen alvorens hem te ontslaan.


5 Gevolgen

Wat kunnen nu de gevolgen zijn van de miskenning van de hoorplicht door de overheid bij een ontslag van een contractuele werknemer. 

In eerste instantie beperkt het Grondwettelijk Hof de hoorplicht tot die situaties waarbij het ontslag verband houdt met het gedrag of de persoon van de werknemer. De gevallen waar het ontslag het gevolg is van een reorganisatie van de dienst of een overmachtssituatie (denk aan medische overmacht) lijken dus niet onder de hoorplicht te vallen.

Bovendien is het vaste rechtspraak dat de opzegvergoeding een forfaitair karakter heeft en alle schade dekt die door het ontslag werd veroorzaakt, zowel de materiële als de morele schade, terwijl de vergoeding wegens rechtsmisbruik buitengewone schade dekt die niet veroorzaakt is door het ontslag zelf (zie Hof van Cassatie 7 mei 2001). De werknemer die ontslagen werd zonder te zijn gehoord en een schadevergoeding wil vorderen, moet bewijzen dat hij schade heeft geleden die niet gedekt is door de opzegvergoeding.

Ook de cao 109, die (voor de privésector) de gevolgen van een kennelijk onredelijk ontslag bepaalt, is niet van toepassing op werknemers in overheidsdienst. Het loutere feit dat een overheid een werknemer niet hoort alvorens hem te ontslaan, maakt nu dan wel een fout uit, maar betekent daarom nog niet dat er dan automatisch sprake is van een kennelijk onredelijk ontslag. Hiervoor moet nog steeds aangetoond worden dat het een ontslag betreft dat geen verband houdt met de geschiktheid of het gedrag van de werknemer of de noodwendigheden van de werking van de onderneming, instelling of dienst.


Besluit

Een openbare werkgever, zoals een gemeente of een OCMW, die wil overgaan tot ontslag van een contractuele werknemer om redenen die verband houden met zijn persoon of zijn gedrag, moet die werknemer vooraf horen. M.a.w. de hoorplicht zoals die geldt voor statutaire ambtenaren wordt doorgetrokken naar de contractuele werknemers. Die conclusie volgt uit een zeer recent arrest van het Grondwettelijk Hof van 6 juli 2017. Het feit dat dat niet gebeurt lijkt niet per definitie aanleiding te geven tot een schadevergoedingsplicht. Dat zal steeds geval per geval, rekening houdend met alle concrete omstandigheden, moeten beoordeeld worden.

Meer over arbeids- en sociaalzekerheidsrecht

Met cookies werkt deze website vlot en kunnen we u inhoud op maat tonen. Als u verder surft of op "Ja, ik accepteer cookies" klikt, dan aanvaardt u deze cookies. Meer informatie